Minister-President Dries Van Agt bezocht Helden

Zaterdag 23 mei 1981 bezocht minister-president Dries Van Agt de toenmalige gemeente Helden. Insteek waren de verkiezingen van de tweede Kamer, later dat jaar.

Andreas Antonius Maria (Dries) Van Agt (Geldrop, 2 februari 1931) was van 1977 tot 1982 minister-president van Nederland in drie achtereenvolgende kabinetten. Zijn moeder was Anna Godefrida Wilhelmina Sophia (Annie) Frencken, heel ver familie van me. Maar vanwege Annie staat Dries Van Agt wel in mijn stamboom, vandaar ook dit verhaal.

Tijdens zijn bezoek in 1981 bezocht Van Agt onder meer het volleybaltoernooi van Volleybalvereniging Çoncordia’ dat die dag voor de tiende maal haar buitentoernooi op de sportvelden achter het toenmalige Bouwens van der Boije College in Panningen organiseerde.

De voorzitter van de volleybalvereniging, No Smits, overhandigde aan Van Agt een petje met daarop de naam van de volleybalvereniging, dat men voor die gelegenheid ietsje had aangepast. Dit leidde tot een humoristisch tafereel.

Er werd binnen de toenmalige gemeente Helden nog veel over het bezoek gesproken. Raf Janssen merkte lachend in de raadsvergadering van maandag 25 mei 1981 op dat men minister Van Agt de zaterdag daarvoor bij zijn bezoek aan Helden beter langs de school in Grashoek had kunnen loodsen. Het geval wilde dat in die tijd het schoolgebouw van Grashoek onderwerp van gesprek in de regio was vanwege de vele gebreken die het vertoonde. Deze school werd nadien vervangen door een nieuwe school, waarvoor op 28 juni 1985 de eerste spade de grond in ging.

En Dries Van Agt? Ondanks zijn rondleiding door de gemeente Helden door toenmalig burgemeester Jan van ’t Hooft bracht weliswaar een overwinning voor diens partij het CDA waardoor Van Agt weer aan de macht kwam als minister-president met het kabinet Van Agt II; ware het niet dat dit kabinet, met D’66 en PvdA, al binnen één jaar viel. Door het zetelverlies in 1982 van het CDA trok Dries Van Agt zich terug als kandidaat-premier en partijleider en volgde Ruud Lubbers hem op.

Foto’s: Peel en Maas Net

Sjra Frencken: Maak de sjietstraote van Wessem schoon!

‘Maak de sjietstraote van Wessem schoon’. Zo luidde ongeveer de opdracht die Sjra Frencken in 1949 kreeg van Gouverneur Frans Houben bij zijn benoeming als burgermeester van Wessem. Natuurlijk was dat geen eenvoudige opdracht. Eind jaren veertig van de vorige eeuw was Wessem nog herstellende van de oorlog en brak er ook een modernere tijd aan. Van de burgermeester werd verwacht dat in goede banen te leiden.

Op dinsdag 24 oktober vertelt zijn zoon Huub Frencken over zijn onderzoek naar de bestuurscultuur in die tijd. De presentatie begint om 19.30 uur in Café-zaal de Harmonie Wessem (gratis entree).

In het boek ‘Lokaal bestuur in Limburgse dorpen: Sjra Frencken burgemeester in Wessem en Voerendaal 1949-1969’ verkent Huub Frencken hoe zijn vader Sjra functioneerde als burgemeester. Hij doet dat door de dorpen en de tijdgeest te schetsen, de onderlinge verhoudingen tussen de inwoners en de lokale bestuurders te typeren en de rol van het levendige verenigingsleven, van de kerk en van de provincie te beschrijven.

Wessem was in die tijd herstellende van de oorlogsschade. De rol van de katholieke kerk was nog duidelijk aanwezig. De koeienflatsen verdwenen uit de straten doordat de gemeenschappelijke Koeweide werd verkaveld. Het dorp stapte langzaam maar zeker de moderne tijd binnen door de aansluiting op het gas- en waterleidingnetwerk en er verschenen moderne voorzieningen zoals een Groene Kruis-gebouw en verzorgingshuizen.

Tijdens zijn de presentatie op 24 oktober staat Huub Frencken onder andere stil bij deze ontwikkelingen en de rol van het lokale bestuur in de veranderende tijd. Een interessante avond en een fascinerend boek voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Wessem en van ons lokaal bestuur.

Huub Frencken studeerde sociale economie en planologie. Zijn eerste baan vervulde hij bij de Rijksplanologische dienst, waar hij o.a. meewerkte in de staf van de stadsvernieuwer Jan Schaefer en aan de Vierde Nota ruimtelijke ordening. Na deelname aan allerlei projecten bij o.a. de provincie Zuid-Holland is hij gaan werken in Rotterdam, als projectleider en als adviseur van o.a. wethouder Kombrink en burgemeester Opstelten. Na zijn pensionering heeft hij voor Staatsbosbeheer gewerkt aan Radio Kootwijk en adviseerde hij een tiental projecten in ontwikkelingslanden. In zijn woonplaats Leiden houdt hij zich bezig met bewonersparticipatie en met allerlei groene en culturele activiteiten.

Het boek is via deze link te bestellen.

Foto: Huub Frencken

Burgemeester Frenckenstraat in Someren

In Someren is er een Burgemeester Frenckenstraat. Niet zo vreemd, gezien het feit dat Godefridus Marcellus Frencken (1818-1907) van 1840 tot 1904 gedurende ruim 60 jaar burgemeester van Asten is geweest. Godefridus Marcellus Frencken werd geboren als zoon van Johannes Georgius Frencken en Anna Catharina Sauvé. Hij trouwde op 15 mei 1865 in Meijel met Anna Catharina Goossens (1828-1897).

Voor 1929 kende de Burgemeester Frenckenstraat de naam ‘Binnenstraat’ als een weg om binnendoor van de Tramstraat (huidige Prins Bernhardstraat) naar de Nieuwstraat (huidige Emmastraat) te gaan.

In de krant ‘De Zuid-Willemsvaart’ van 5 juli 1929 worden de definitieve namen toegekend aan de straten van Asten en de Burgemeester Frenckenstraat loopt van de winkel van Frans Eijsbouts aan de Prins Bernhardstraat tot de kazerne van de marechaussee aan de Emmastraat. In diezelfde krant van 11 september 1929 wordt nog een voorstel tot wijziging in Frenckenstraat ingediend, dat het echter niet haalt:

In tegenstelling tot de andere straten woonden er in de Burgemeester Frenckenstraat nauwelijks mensen die naast hun beroep afhankelijk waren van het boerenbedrijf. We kunnen dit opmaken uit de lijst met getroffenen door natuurgeweld rond 1740 in het Dorp, waarbij een selectie is gemaakt van de bewoners van de huidige Burgemeester Frenckenstraat:

Asten Rechterlijk Archief 118 folio 170; 29-12-1739:
Specifique lijste ofte memorie geformeert door schepenen en secretaris van Asten volgens het opgeven van de ingesetenen van Asten van soodanige als de ingesetenen van Asten geleeden hebben vant verhagelen van koorn op de 13e july en afwayen van de boekweyt op den 15e augustus 1737 wanneer het koorn en boekweyt rijp was. Alsmede van de menigvuldige swaare regen die gevallen is in de voorschrevene jaare 1737, 1738 en 1739 waardoor de weylanden geheel onder water gestaan hebben en het gras en hoy daardoor veel bedorven en verdronken is geworden door hetwelke veel runtvee en schapen bedorven en gestorven sijn, alsoo deselve op leege en natte weyen haar voedsel hebben moeten haalen, welk verdronken gras en hoy dat bedorven was in de wintertijden hebben moeten eeten. Mitsgaaders vant bevriezen van de boekweyt in desen jaaren 1739, tusschen de 15e en 16e juny allent welke schaade de navolgende ingeseetenen hebben opgegeven en getaxeert onder presentie vant selve ten allen tijde, des gerequireert werdende, met solemneele eede sullen bevestigen soo en gelijk bij of agter ider sijn naam is uytgetrocken en hierna is volgende in het Dorp:

Aldus dese lijste gemaakt en geformeert in voege als vooren volgens het opgeven der ingesetenen onder presentie van eede dat deselve de ongelucken en schaaden gehadt hebben, soo en gelijk agter ider sijnen naam staat aangeteekent en tot een som is getaxeert na ider sijn beste kennis. Wijders verklaaren wij ondergeteekende schepenen van Asten, op den eed ten aanvank van onser bediening gedaan dat de ingesetenen alhier wegens het verhagelen van koorn, afwayen en bevriesen van de boekweyt, sterven van een menigte beesten en schapen, verdrinken van hoy, gras, koorn en andere vrugten als int hooft deeser lijst, seer veelen groote schaade geleeden hebben en vooral in dese jaare, alsoo den ingesetenen alhier den grooten reegen die er is gevallen als anders op sijn best maar eene halve oogst gehadt hebben waardoor deselve buyten staat geraakt sijn om haar verschulde ‘s lants- en dorpslasten te konnen opbrengen en betaalen waardoor de ingesetenen dagelijks veele schaade en executiecosten moeten ondergaan. In teeken der waarheyt hebben wij deese ten prothocolle onderteekent binnen Asten, desen 28 december 1739.

In die tijd stonden er negen huizen in de Burgemeester Frenckenstraat en slechts een bewoner is getroffen door het noodweer, hetgeen betekende dat de meeste bewoners buiten de landbouw hun brood verdienden. In de periode 1739-1796 woonde drossaard Jacobus Losecaat in de straat, van 1800-1810 schout civiel Theodorus Johannes Sengers en later in de periode 1812-1844 burgemeester Jan Georg Frencken. Al met al was het een voor die tijd deftige straat en dat kunnen we ook zien aan de overige inwoners, waaronder rechters, dokters, kooplieden, ambtenaren en fabrikanten:

Vanaf 1675 woonde meester Antony Canters in een huis in de straat dat door vererving is overgegaan naar Godefridus Raeymakers en door diens nazaten verkocht aan Antony Voermans. Zijn dochter Willemijn erft het huis en verkoopt het huis later door aan haar neef Frans Fransen Voermans. Hij had ƒ 2500,- geërfd van zijn vader die koopman was en bouwt in 1788 op die plaats een nieuw huis. Na zijn overlijden verkopen de kinderen in 1817 het huis aan de uit België afkomstige geneesheer Michiel Jacobus Aertnijs, getrouwd met Lucia Sauvé. Bijna tien jaar later wordt het huis verkocht aan de uit Duitsland afkomstige katoenfabrikant David Horn. Na het overlijden van diens nazaten in 1879 is het huis in handen gekomen van dokter Johannes Schreppers. Daarna is het huis in bezit geweest van verschillende eigenaren tot slager Hendrikus van Kemenade het in 1926 koopt.

In een naastgelegen huis woont vanaf 1637 Philips Willems Gosen de Smet en later diens zoon Willem en kleinzoon Aart Willem de Smet. Na diens vroegtijdige overlijden erft zijn 5-jarige dochter Helena het huis en de goederen. Dat is net genoeg om haar te doen opgroeien tot volwassenheid en zij moet het huis dan ook in 1747 verkopen aan drossaard Jacobus Losecaat. Tot zijn overlijden in 1796 heeft hij in het huis gewoond en zijn kinderen verkopen het huis in 1810 aan burgemeester Jan Georg Frencken. Na zijn overlijden in 1871 wonen zijn dochters nog tot 1891 in het huis, dat daarna wordt verkocht aan fabrikant Carolus Johannes Strijbosch.

Door vererving is een huis van de familie Mennen in bezit gekomen van de Arnoldus Jansen Vrients en diens zoon Hendrik Aert Vrients, een familie van kooplieden. Na hun overlijden verkopen de kinderen van Hendrik Aert Vrients het huis in 1759 aan commies van de tol Gerrit Peter van Riet. Na diens overlijden rond 1785 gaat het huis over op zijn neef Jacobus van Riet, die het in 1802 verkoopt aan kleermaker Christiaan Mechernich. Daarna kent het huis verschillende bewoners tot het in 1900 wordt opgekocht door buurman Carolus Johannes Strijbosch die daar een fabriek in wasproducten begint.

Een ander huis aan de Binnenstraat kent de meest vreemde bewoningsgeschiedenis met allerlei goed gearchiveerde echtelijke voorvallen, die in die tijd zeldzaam waren. Rond 1710 woont Willem van Weert en na zijn overlijden in 1733 diens weduwe Hendrina Clemans in het huis. Hendrina Clemans hertrouwt met rijdende commies van de landtol Antony van Riet, maar dat huwelijk houdt door velerlei oorzaken niet lang stand en Antony van Riet wordt uit het huis gezet. In 1748 verkoopt Hendrina Clemans het huis aan landbouwer Willem Willems van den Eerenbeemt en in 1814 wordt het huis door dochter Geertruij doorverkocht aan smid Johannes Nicasi Simonis. Na het overlijden van diens kinderen wordt het huis opgekocht door deurwaarder Hermanus Gerardus Roosen en kent het vele bewoners. Op deze plaats wordt na de Tweede Wereldoorlog de smederij en winkel van de familie van Eersel gevestigd.

Joost Antonius van Weert bewoont vanaf 1705 hier een huis en verkoopt het na het overlijden van zijn twee zoons aan twee kleindochters. Zij verkopen het in 1759 door aan Antoni Fransen Voermans en komt via hun dochter Antonetta in handen van winkelier en schout civiel Theodorus Joannes Sengers. Na zijn overlijden is het huis tot 1860 in handen van zijn kinderen en zij verkopen het aan Johannes Knapen. Daarna komt de familie van onderwijzer Peter Johannes van Driel in het huis wonen en als deze in 1896 naar Vlierden vertrekt, vestigt Antonius Franciscus Berkers er zijn schildersbedrijf, later ook als winkel voor woninginrichting.

Mathias Jansen Cuypers heeft vanaf het einde van de 17e eeuw een huis aan de Binnenstraat bewoond en zijn zoon Joost Tys Kuijpers heeft het huis geërfd. In 1765 verkopen de nog in leven zijnde kinderen van Joost Tys Kuijpers, Mattijs en Dorothea, het huis aan Antoni Jan Nelis. Diens dochter Francisca, getrouwd met schoenmaker Johannes Francis van Hoek, erft het huis en is tot 1835 eigenaar en bewoner. Het huis wordt opgekocht door burgemeester Jan Georg Frencken en hij verhuurt het aan derden. In 1906 komt het in eigendom van schoenfabrikant Leonardus Wilhelmus Gregorius Hoefnagels en in 1920 van bierbrouwer Antonius Hendrikus Leenen. Het huis is dan opnieuw opgebouwd tot twee woningen die beide verhuurd worden.

Dit huis is een erfenis van de eerder genoemde 5-jarige dochter Helena van Aert Willems de Smet. Eenmaal volwassen verkoopt zij het huis aan drossaard Jacobus Losecaat die het in eerste instantie verhuurt aan zadelmaker Antonie Bluijssen, de stamvader van de familie Bluijssen. In 1750 wordt het huis afgebroken en verhuist Antonie Bluijssen via nog wat adressen naar het naastgelegen huis. Ruim 150 jaar later in 1906 bouwt schoenmaker Leonardus Wilhelmus Gregorius Hoefnagels een schoenfabriek, die echter slechts 5 jaar in gebruik is geweest. Daarna is het nog korte tijd een strohulzenfabriek tot het in 1913 wordt verbouwd tot twee huizen. In 1920 wordt het opgekocht door bierbrouwer Antonius Hendrikus Leenen en al die tijd zijn de huizen verhuurd geweest aan derden.

Een huis in bezit van molenaar Walterus Joannes Hoefnagels wordt rond 1725 geërfd door dochter Johanna Maria Hoefnagels en haar tweede echtgenoot Jan Aspers. Omdat het echtpaar onheus wordt bejegend door jongeren, verhuizen zij naar Weert en verhuren het huis aan derden. In 1761 wordt het huis verkocht aan ondervorster Roelof Graaff en via Francis van Hout komt het in 1768 in bezit van zadelmaker Antonij Bluijssen. Zijn zonen Jan en Antoni Bluijssen, verkopen het huis in 1825 aan Leonardus Leenders en zoon Antoni Bluijssen wordt daarna als fabrikant in textiel en zuivel. Het huis kent daarna diverse eigenaren en bewoners totdat in 1873 kleermaker Joannes Linden zich hier vestigt. Zijn zonen wonen tot na de Tweede Wereldoorlog nog in twee huizen op de plaats van het oorspronkelijke huis.

De Burgemeester Frenckenstraat heeft in de 19e en 20e eeuw ook de nodige nijverheid gehad en dit betreft:

*In de periode 1822-1857 de katoenspinnerij van de uit Duitsland afkomstige David Horn wat later rond 1920 de groentedrogerij van de familie Leenen is geworden en vanaf 1923 tot 1960 gebruikt is als opslagruimte voor de gemeente Asten.
*In de periode 1891-1956 de wasblekerij van de Antonie Strijbosch, waar naast waskaarsen ook poetsmiddelen werden vervaardigd.
*In de periode 1906-1911 de schoenenfabriek van Leonardus Wilhelmus Gregorius Hoefnagels, waar later gedurende korte tijd 1911-1912 de eerste strohulzenfabriek van de familie Caron.
*In de periode 1930-1940 de uitbreiding van de koekfabriek van Johannes Paulus Hubertus Hoefnagels waar na de Tweede Wereldoorlog nog de zaad- en mengvoerhandel van Petrus Lambertus van den Burgt en de cartonnagefabriek ‘Het Zuiden’ zijn gevestigd.

En dan de echtelijke kwesties die er zich hebben afgespeeld, het begon met een triootje van Antony van Riet en zijn vrouw is daarna van hem gescheiden, hetgeen in de 18e eeuw zeer ongebruikelijk was. Ook is er in datzelfde huis een voorval waarbij iemand bezwaar aantekent bij de proclamaties voor de ondertrouw voor een huwelijk, iets wat ik in het archief alleen hier ben tegengekomen. Er zijn ruzies op Asten kermis met een slachtoffer die hier woont en tenslotte wonen er nog wachtmeesters in het deel van de marechausseekazerne met de ingang aan de Burgemeester Frenckenstraat die een wildwest achtervolging meemaken.

Die laatste feiten luiden de moderne tijd in en Asten heeft sinds 1917 een elektriciteitsnetwerk en waterleiding. Volgens het artikel linksboven in de krant de Zuid-Willemsvaart van 20-03-1937 verdwijnt de ijzeren paal van het elektriciteitsnetwerk op de hoek van de Burgemeester Frenckenstraat. Rechts een verslag van de gemeenteraad over de verbetering van onder andere de Burgemeester Frenckenstraat in de krant de Zuid-Willemsvaart van 02-11-1940. Linksonder uit diezelfde krant van 04-02-1941 de mededeling van Johannes Verleijsdonk dat de waterlevering omhoog kan worden gebracht.

 

De kadasterkaart en twee topografische kaarten laten van links naar rechts de situatie van de huidige Burgemeester Frenckenstraat in 1832, 1890 en 1930 zien:

       

Geheel linksboven is de protestantse kerk te zien en de Burgemeester Frenckenstraat loopt van daaruit naar rechtsonder. Het stratenpatroon is nagenoeg ongewijzigd en ook de bebouwing is nauwelijks veranderd.

Wat is van dit alles nu nog van terug te zien in de Burgemeester Frenckenstraat? Als we eerlijk zijn is er vooral in de laatste jaren veel verdwenen en opgeofferd aan de vooruitgang. Zelfs het door Jacobus Losecaat aangelegde ‘postpeijke’ naar de Markt is intussen verdwenen. Toch zijn er nog genoeg sporen te vinden van het oude Asten en aan de hand van vergelijking van kaarten wordt in beeld gebracht uit welke tijdsperiode de huidige huizen in de Burgemeester Frenckenstraat stammen.

Linksonder is de kaart van Theo Meulendijks te zien waarin met zwart de huisnummers voor 1800 vergeleken en aangevuld zijn met de kadasternummers van 1832 in blauw. Rechtsonder is op de kaart uit 2017 de huidige situatie weergegeven te zien en zijn de huizen gebouwd tussen 1750 en 1800 paars omcirkeld, tussen 1850 en 1900 groen omcirkeld en die tussen 1900 en 1940 oranje omcirkeld:

   

De gekleurde huizen (groen staat voor cijnsplichtig aan de heer van Asten) betreffen huizen van voor 1800. Waren er rond 1750 nog negen huizen, in 1832 stijgt het tot 12 huizen en die witte woningen zijn een huis, een fabriek en een kazerne.

De katoenspinnerij van David Horn (499), de chemische fabriek Astor van Antonie Strijbosch (78 en 80) en de latere winkels van de familie van Eersel (82 en 424) en Berkers (99) zijn er niet meer. Ook het deel van de marechausseekazerne aan de Burgemeester Frenckenstraat (526), de naoorlogse cartonnagefabriek ‘Het Zuiden’ en de zaad- en mengvoederhandel van Piet van den Burgt zijn verdwenen, evenals de woningen van de kleermakersfamilie Linden (81). Er resten in de Burgemeester Frenckenstraat nog 6 vooroorlogse woningen, waarvan er slechts één uit de 18e eeuw komt.

Hieronder een foto van het begin van de Burgemeester Frenckenstraat op de driesprong met de Prins Bernhardstraat. We zien rechts het voormalige deel van de katoenspinnerij van David Horn, later koloniale winkel van Leenen en daarna bekend als herberg ‘Het eeuwig leven’ aan de Prins Bernhardstraat. Links zien we een vervallen huisje met daarachter het oudste uit 1788 stammende huis van de Burgemeester Frenckenstraat.

En hieronder een foto van de andere zijde van de Burgemeester Frenckenstraat met links de Marechausseekazerne op de hoek met de huidige Emmastraat. Rechts zien we het schildersbedrijf van Antonius Franciscus Berkers:

Alles wat op deze foto staat is inmiddels verdwenen.

Met dank aan Heemkundekring De Vonder

Jo Jaspers, de dappere schilderende huisarts

Soms kom je per toeval iets tegen dat je interesse wekt. Dit gebeurde toen ik de naam Johannes August Hubertus Jaspers (1898-1987) uit Meijel aantrof. Deze Jo Jaspers was huisarts in Geertruidenberg maar werd vooral bekend in de kunstwereld door zijn impressionistische schilderijen. De grootmoeder van Jaspers was Hendrika Lenders (1826-1868) die ver familie van me is.

Jo Jaspers werd op 4 november 1898 als zoon van een graanhandelaar geboren in Meijel. Hij studeerde medicijnen in Amsterdam en begon in zijn studieperiode te schilderen. In het Rijksmuseum in Amsterdam bestudeerde hij vooral de technieken van Van Eijck en Van Gogh. Na zijn studie vestigde hij zich voor een korte tijd als huisarts in Ursum waarna hij in 1929 naar Geertruidenberg kwam. Zijn drukke werkzaamheden als huisarts gunden hem overdag niet veel tijd om te schilderen, schilderen werd nachtwerk.

Huisarts Jo Jaspers schilderde de Geertruidskerk bij de aanvang van de restauratie in 1955.

Jo Jaspers is van verschillende kunstenaarsverenigingen lid geweest. In 1933 werd hij lid van het schildersgenootschap ‘Pictura’ in Dordrecht. In 1934 ging hij over naar het Amsterdamse artiestengenoot-schap ‘St. Lucas’, een vooruitstrevender vereniging. Van dat genootschap ontving hij in 1979, op 81-jarige leeftijd, de Thèrese Schwartz-prijs op grond van zijn verdiensten als kunstschilder. In 1938 werd Jaspers uitgenodigd om lid te worden van de Bredase Kunstkring. Aanvankelijk schilderde Jaspers in de trant van de Haagse School waarbij de donkere tinten overheersten. Latere schilderijen, in het bijzonder die gebaseerd waren op schetsen die hij gemaakt had in Spanje en Italië, zijn lichter, kleuriger en bevatten vlugge impressionistische toetsen. Het penseel werd meer en meer vervangen door het paletmes.

De Oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) waren de Duitsers de baas in Nederland, ook in Geertruidenberg. Niet iedereen gaf zich zomaar gewonnen aan de Duitsers. Sommige mensen gingen in verzet. Ze drukten stiekem kranten of plakten posters tegen de Duitsers. Ook hielpen ze mensen die zich voor de Duitsers verborgen hielden. Maar als je gepakt werd, hadden de Duitsers geen genade. Dan werd je gevangen genomen, naar een concentratiekamp gestuurd of dood geschoten. Het was dus heel gevaarlijk om in het verzet tegen de Duitsers te gaan. Dokter Jaspers zat in dit verzet. Sterker nog: hij organiseerde het verzet in Geertruidenberg. Niemand mocht van de Duitsers in het donker op straat komen, maar dokter Jaspers zei gewoon dat hij naar een patiënt moest en ging op pad. Natuurlijk ging hij niet naar een zieke, maar naar een bijeenkomst van een verzetsgroep. Hij kon ook gemakkelijker dan gewone mensen van het ene huis naar het andere zonder dat de Duitsers argwaan kregen. Zo kon hij iemand waarschuwen voor naderend gevaar. Of hij kon doen alsof een heel erg zieke patiënt vervoerd moest worden, terwijl het in feite ging om een onderduiker die naar een andere schuilplaats moest. Aan het einde van de oorlog is hij door de Duitsers gevangen genomen, maar wegens gebrek aan bewijs gelukkig snel weer vrij gelaten.

Schilderijen voor bevrijders
Jaspers was een veelzijdig kunstenaar; hij schilderde niet alleen portretten, landschappen en straatjes met olieverf, maar kon ook vaardig met Oost-Indische inkt of potlood een tafereel opzetten en inkleuren met waterverf. Samen met Jan Hubertus en Jacq Stal heeft hij kort na de oorlog een map gemaakt met twaalf grootformaat linoleumsneden die betrekking hebben op de oorlog en de vrijheid. Exemplaren van deze map werden onder andere aangeboden aan koningin Wilhelmina, Dwight Eisenhower, Winston Churchill en andere bevrijders. In 1959 stopte Jaspers met zijn huisartsenpraktijk in Geertruidenberg en verhuisde naar Prinsenbeek, waar hem nog lange tijd gegund werd voor zijn creatieve werk.

De door dokter Jaspers in 1938 ontworpen fontein met kikkers op het Plantsoen.
Bron: foto Ans Spee

Aandenken in Geertruidenberg
Deze dappere dokter heeft een blijvend aandenken in Geertruidenberg gekregen, namelijk een straat die naar hem genoemd is: Dokter Jaspershof. En elke keer als je langs de kikkerfontein op het Plantsoen rijdt, kom je langs een werkstuk van hem. In 1938 ontwierp hij deze fontein, omdat Geertruidenberg toen 725 jaar stadsrechten vierde.

Jaspers overleed in 1987.

Bronnen: o.a. P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars (1750 – 1950), Den Haag, 1969 – 1970, Het Zuiden en Regionaal Archief Tilburg

Film over Gé Reinders op L1 TV

Op veler verzoek gaat L1 televisie ‘Gé Reinders, de film’ herhalen. In de stamboom komt Gé voor, vandaar aandacht voor dit bericht.

Maurice Nijsten maakte met assistentie van Dénise Nijsten een lange documentaire over Gé Reinders. Gé werd bijna zeven jaar regelmatig met de camera gevolgd bij zijn uiteenlopende werkzaamheden en muzikale optredens.

De film geeft een unieke kijk in het leven van deze Roermondse zanger. Bovendien komen allerlei mensen uit Gé’s omgeving aan het woord, zoals onder andere zijn echtgenote Marjan, Suzan Seegers, Youp van het Hek, Hardy Mertens en Syb van der Ploeg.

‘Gé Reinders, de film’ wordt nog uitgezonden bij L1 TV op 21 en 23 maart om 15.15 uur. Overigens: Deze anekdote komt er niet in voor.

Gé kondigde in 2017 zijn eigen film die toen in première ging, op sociale media aan:

Die Biene Maja

Er zijn van die televisiemomenten die zich in het collectieve geheugen nestelen. Soms is het een melodie, soms een zin, soms een personage dat je nooit meer vergeet. Voor miljoenen Duitsers – en eigenlijk voor heel Europa – is Biene Maja zo’n herinnering. Sinds 9 september 1976 zoemt ze door de Duitse televisiegeschiedenis, vergezeld door haar trouwe vrienden Willi en Flip. En hoewel de serie inmiddels bijna een halve eeuw oud is, blijft ze een bron van nostalgie, humor en warme jeugdherinneringen.

Een zin die iedereen kent
Wie ooit op een feestje heeft gestaan waar een vijftiger plots luid en licht beledigd roept: „Du biffst fffo gemaiin!“, hoeft zich geen zorgen te maken. Er is niets mis met hem – hij is simpelweg een oud fan van Biene Maja. Deze zin, uitgesproken met het kenmerkende lispelen van Willi, klonk in bijna elke aflevering. Het was een running gag, een herkenningspunt, een stukje kindertijd dat zich diep in het geheugen heeft vastgezet.

En wie die ene zin kent, kent er meestal nog veel meer. Want Biene Maja stond niet op zichzelf. Ze maakte deel uit van een hele reeks iconische kinderprogramma’s uit de jaren zeventig: Wickie und die starken Männer, Heidi, Pippi Langstrumpf, Die Muppet Show. Het was een tijd waarin de middagen op ZDF en ARD gevuld waren met avonturen, humor en fantasie – en waarin kinderen nog braaf voor de televisie zaten te wachten tot hun favoriete serie begon.

Willi: de antiheld die harten veroverde
Hoewel Maja de titelheldin is, was het vaak Willi die de show stal. De angstige, soms wat klungelige maar altijd loyale drone was haar beste vriend en klasgenoot. Zijn lispelende stem, zijn licht zeurderige toon en zijn eindeloze angst voor alles wat beweegt, maakten hem tot een onvergetelijk personage.

Willi was de perfecte tegenhanger van Maja: waar zij nieuwsgierig, dapper en eigenwijs was, was hij voorzichtig, bang en soms een tikje lui. Maar juist die tegenstelling maakte hun vriendschap zo charmant. Hoe bang Willi ook was, hij bleef Maja altijd trouw. En dat maakte hem tot een van de meest geliefde figuren uit de serie.

De geboorte van een televisiefenomeen
Toen Biene Maja in 1976 voor het eerst op televisie verscheen, was dat in een stijl die toen nog nieuw was: de Japanse anime-esthetiek. De serie was een coproductie tussen Japan, Duitsland en Oostenrijk, en dat was te zien. De animatie was dynamischer, kleurrijker en humoristischer dan veel Europese tekenfilms uit die tijd.

De basis van de serie lag in het boek Die Biene Maja und ihre Abenteuer van Waldemar Bonsels, dat al in 1912 verscheen. Het boek was destijds een enorm succes – het werd zelfs gelezen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog en bereikte een oplage van meer dan 90.000 exemplaren. Maar de toon van het boek was veel ernstiger dan die van de latere tekenfilm. Bonsels’ werk bevatte filosofische en soms zelfs militaristische ondertonen, en de auteur zelf stond bekend om zijn antisemitische opvattingen.

Van dat alles bleef in de televisieserie niets over. De makers kozen bewust voor een vrolijke, humoristische en kindvriendelijke benadering. De wereld van de Klatschmohnwiese – de klaproosweide – werd een veilige, kleurrijke plek vol avontuur en vriendschap.

Flip: de gentleman-grashopper die nooit in het boek stond
Een van de meest geliefde personages uit de serie, Flip de grashopper, kwam helemaal niet voor in het oorspronkelijke boek. Hij werd speciaal bedacht voor de televisieserie door Josef Göhlen, de toenmalige hoofdredacteur van het ZDF-kinderprogramma. Göhlen was verantwoordelijk voor vrijwel alle grote kinderhits van de jaren zeventig, en Flip was een van zijn meest geslaagde creaties.

Met zijn hoge hoed, zijn elegante houding en zijn rustige, wijze stem werd Flip de verteller van de serie. Hij was de mentor van Maja, de stem van rede en kalmte, en een figuur die kinderen vertrouwen gaf. Zijn aanwezigheid gaf de serie een warm en vriendelijk karakter.

Het lied dat iedereen kan meezingen
Het is bijna onmogelijk om Biene Maja te noemen zonder dat het titellied in je hoofd begint te spelen: „In einem unbekannten Land, vor gar nicht allzu langer Zeit…“
Het lied, gezongen door Karel Gott, werd een gigantische hit en is tot op de dag van vandaag een van de bekendste Duitse televisiemelodieën. Het is vrolijk, aanstekelijk en roept onmiddellijk beelden op van Maja die door de lucht zoemt, Flip die op zijn viool speelt en Willi die ergens bang in een hoekje zit.

Op feestjes gebeurt het nog steeds dat iemand spontaan begint te zingen – en voor je het weet, zingt de hele kamer mee. Het is een stukje gedeelde cultuur, een muzikaal geheugen dat generaties verbindt.

Waarom Biene Maja zo’n blijvende indruk maakte
Wat maakt Biene Maja nu precies zo tijdloos? Waarom blijft deze serie, ondanks haar leeftijd, zo’n warme plek innemen in de herinneringen van kijkers?
1. Herkenbare thema’s
De wereld van Maja lijkt misschien een fantasiewereld, maar de thema’s zijn universeel: vriendschap, moed, nieuwsgierigheid, angst overwinnen, fouten maken en daarvan leren.
2. Humor en hart
De serie was grappig zonder flauw te worden, en ontroerend zonder sentimenteel te zijn. Willi’s angstige opmerkingen, Flip’s rustige wijsheid en Maja’s enthousiasme vormden een perfecte balans.
3. Een sterke visuele stijl
De anime-stijl gaf de serie een dynamiek die destijds vernieuwend was. De kleuren, bewegingen en expressies spraken kinderen enorm aan.
4. Een wereld vol personages
Naast Maja, Willi en Flip waren er talloze andere insecten en dieren die de wereld tot leven brachten. Elk had een eigen karakter en rol.

Een erfenis die blijft zoemen
Vandaag de dag is Biene Maja nog steeds springlevend. Er zijn nieuwe animatieseries, bioscoopfilms, merchandising en zelfs attracties in pretparken geweest. Maar voor veel mensen blijft de versie uit 1976 de enige echte.

En als je ooit op een feestje staat en iemand roept „Du biffst fffo gemaiin!“, dan weet je genoeg: je hebt een mede-fan gevonden. Misschien is het dan tijd om een drankje te halen – of om voluit mee te zingen:

„Und diese Biene, die ich meine, nennt sich Maja…“

Hallo Spencer

Toen Hallo Spencer in 1979 voor het eerst op de Duitse televisie verscheen, kon niemand vermoeden dat de serie zou uitgroeien tot een van de meest geliefde kinderprogramma’s van het land. De poppenserie, bedacht door Winfried Debertin en geproduceerd door de Norddeutscher Rundfunk (NDR), liep meer dan twintig jaar en bracht het tot maar liefst 275 afleveringen. Daarmee werd Hallo Spencer een vaste waarde in de Duitse jeugdcultuur, vergelijkbaar met wat Sesamstraat of The Muppet Show betekenden in andere landen.

Hoewel de serie in 2001 stopte, leeft de wereld van Spencer en zijn vrienden nog altijd voort in de herinnering van miljoenen kijkers. De charme van de serie zit in de combinatie van humor, fantasie, herkenbare thema’s en een bont gezelschap aan poppenpersonages die elk hun eigen eigenaardigheden hebben.

Een poppenwereld met een eigen identiteit
Hallo Spencer is een poppenserie die duidelijk geïnspireerd is door het werk van Jim Henson. Verschillende medewerkers hadden eerder gewerkt aan de Duitse versie van Sesamstraat, en dat is te zien in de expressieve poppen, de levendige decors en de speelse vertelstijl. Toch ontwikkelde de serie al snel een geheel eigen identiteit.

De afleveringen spelen zich af in het fictieve dorp Spencerdorf, een wonderlijke plek waar bossen, graslanden en zelfs een vulkanisch gebied naast elkaar bestaan. In de Amerikaanse versie werd deze setting verplaatst naar Spencerville, Ohio, maar de sfeer bleef hetzelfde: een dorp vol kleurrijke figuren die samen de meest uiteenlopende avonturen beleven.

Elke aflevering begint met Spencer zelf, die de kijker begroet en het thema van de dag introduceert. Dat kan iets alledaags zijn – zoals slapen, groeten of muziek – maar ook een fantasierijk onderwerp.

Vervolgens schakelt de aflevering heen en weer tussen de verschillende bewoners van het dorp, die ieder op hun eigen manier bijdragen aan het verhaal.

In latere seizoenen veranderde de opzet enigszins: Spencer vertelde zijn verhalen steeds vaker vanuit zijn appartement, wat de serie een intiemere toon gaf.

De hoofdrolspelers van Spencerdorf
Een van de grootste krachten van Hallo Spencer is het rijke scala aan personages. Elk figuur heeft een uitgesproken karakter, waardoor kinderen zich gemakkelijk kunnen identificeren of juist heerlijk kunnen lachen om hun eigenaardigheden.

Spencer
Spencer is de centrale figuur en fungeert als burgemeester van Spencerdorf. Hij beschikt over een videotelefoon waarmee hij op elk moment contact kan opnemen met de andere bewoners. In de Amerikaanse versie werd zijn naam veranderd in “Hello Spencer”, omdat de originele titel Hallo Spencer zichtbaar in zijn studio hing en men dit wilde verklaren voor Engelstalige kijkers.

Elvis en Lulu
Elvis – in de Amerikaanse versie Elmar – is Spencer’s assistent. Samen met zijn vriendin Lulu woont hij in de Dream Express, een oude treinwagon die dienstdoet als hun huis. Lulu is vrolijk en energiek, en in de eerste afleveringen opvallend genoeg zonder neus.

Nepomuk en Kasimir
Nepomuk, door vrienden Nepi genoemd, is een humeurige maar uiteindelijk goedhartige bewoner die in een groot kasteel woont. Zijn beste vriend Kasimir – of Kasi – is een rood wezen met extreem lange armen. Hij woont in een kastanjeboom met een ingebouwde lift en is de behulpzaamste inwoner van het dorp.

Poldi en Pummelzacken
Poldi is een vriendelijke draak die in een vulkaankrater woont. Hoewel hij vaak dreigt anderen op te eten wanneer hij geïrriteerd raakt, doet hij dat natuurlijk nooit. Zijn vriendin Pummelzacken verschijnt later in de serie en vormt een komisch duo met hem.

Lexi
Lexi is de boekenwurm van het dorp. Hij woont in een paddenstoel en werkt voortdurend aan zijn enorme bibliotheek, de Lexiklopädie. Hij heeft een zwak voor Lisa, een van de tweelingzussen Mona en Lisa, die op een woonboot leven.

De Quietschbeus
Deze muzikale jongensgroep – een knipoog naar de Beach Boys – woont in dezelfde televisiestudio als Spencer. In elke aflevering zingen ze een lied dat aansluit bij het thema van de dag. Hun verschillende neuzen (groen, rood en blauw) maken hen direct herkenbaar.

Galaktika
Galaktika is een buitenaards wezen uit het Andromedastelsel. Ze verschijnt wanneer de bewoners haar oproepen door te zingen, al duikt ze in vroege afleveringen soms spontaan op.

Nero
Nero, een demonisch figuur, verscheen slechts in enkele vroege afleveringen. Hij werd al snel uit de serie geschreven omdat jonge kijkers hem te eng vonden.

Internationale verspreiding en dubproblemen
In de jaren negentig werd Hallo Spencer internationaal opgepikt. De rechten werden verkocht aan Saban International, dat de serie naar talloze landen bracht, waaronder Polen, de Verenigde Staten, Canada, Spanje, Israël, China en Nederland.

De internationale versies hadden echter te kampen met problemen. De originele serie had een typisch Europese stijl waarbij personages soms door elkaar heen praten. In andere landen leidde dit tot verwarring en onbedoelde humor. Bovendien was het budget van de serie relatief laag, wat in sommige markten minder goed werd ontvangen.

De Amerikaanse versie werd het meest ingrijpend aangepast. Afleveringen werden met zeven minuten ingekort, scènes werden herschikt en scripts herschreven. Ook kregen personages nieuwe namen: Nepomuk werd Grumpowski, Elvis werd Elmar en de Quietschbeus werden The Screech Boys. Aan het einde van elke aflevering werd zelfs een rap toegevoegd die het verhaal samenvatte. Deze versie liep van 1992 tot 1993.

In de late jaren 2000 werd een nieuwe, veel trouwere Engelse dub gemaakt door PentaTV, de oorspronkelijke productiemaatschappij. Deze versie werd als bonus toegevoegd aan Duitse dvd-uitgaven.

Een blijvende erfenis
Hoewel de serie al meer dan twintig jaar niet meer wordt geproduceerd, blijft Hallo Spencer een geliefd onderdeel van de Duitse popcultuur. Tot 2017 had het Heide Park zelfs een themagebied gewijd aan de serie. In 2023 kwam het programma opnieuw in het nieuws toen bleek dat animatronics uit dat gebied tussen 2021 en 2022 waren gestolen en vernield.
Daarnaast blijft de serie leven via herhalingen op zenders als Nickelodeon Duitsland en via regionale omroepen, waar afleveringen tot 2011 regelmatig te zien waren. Ook zijn er drie spin-offs gemaakt: The Adventures of Max and Molly, Poldi and the Dragons en Spencer Kids.

In 2024 verscheen zelfs een nieuwe film, Hallo Spencer – Der Film, met een rol voor de bekende Duitse presentator Jan Böhmermann. De film ging in première op het Filmfest München en verscheen later dat jaar op de streamingdienst ZDF-Mediathek.

Een tijdloze klassieker
Hallo Spencer is een serie die generaties kinderen heeft vermaakt en gevormd. De combinatie van humor, fantasie, muziek en herkenbare thema’s maakt de serie tijdloos. De poppenwereld van Spencerdorf blijft een plek waar vriendschap, nieuwsgierigheid en plezier centraal staan – waarden die ook vandaag nog aanspreken.

Robbi, Tobbi und das Fliewatüüt

Toen in 2016 de Duits-Belgische familiefilm Robbi, Tobbi und das Fliewatüüt in de bioscopen verscheen, maakte een nieuwe generatie kinderen kennis met een verhaal dat al sinds de jaren zestig tot de klassiekers van de Duitse jeugdliteratuur behoort. De film is losjes gebaseerd op het gelijknamige boek van Boy Lornsen, een auteur van het Noord-Friese eiland Sylt. Hoewel de film een moderne interpretatie biedt, blijft de kern van het verhaal overeind: een bijzondere vriendschap tussen een jongen en een robot, en een avontuurlijke reis in een wonderlijk voertuig dat kan vliegen, varen en rijden.

Een jongen die zijn plek zoekt
Centraal in het verhaal staat de elfjarige Tobbi Findteisen, een slimme maar wat teruggetrokken jongen die opgroeit in het kleine stadje Tütermoor. Zijn schooltijd verloopt niet altijd gemakkelijk: hij wordt regelmatig gepest door klasgenoten en voelt zich vaak onbegrepen. Tobbi is echter creatief en technisch begaafd, en brengt veel tijd door met het bedenken van uitvindingen. Zijn leven krijgt een onverwachte wending wanneer een kleine robot letterlijk uit de lucht komt vallen.

Deze robot, Robbi genaamd, is afkomstig van een andere planeet en is tijdens een missie op aarde terechtgekomen. Zijn ouders zijn eveneens geland, maar bevinden zich op de Noordpool en wachten daar op hulp. Robbi is beschadigd en heeft Tobbi’s hulp nodig om zijn familie terug te vinden. Wat begint als een toevallige ontmoeting, groeit al snel uit tot een hechte vriendschap.

Het Fliewatüüt: een kinderdroom op wielen
Een van de meest iconische elementen uit het verhaal is het Fliewatüüt, een door Tobbi bedacht voertuig dat zowel kan vliegen als varen en rijden. In de film wordt dit fantasierijke apparaat tot leven gebracht met een combinatie van praktische effecten en moderne CGI. Tobbi bouwt het voertuig samen met een motorbende die op een nabijgelegen schrootplaats rondhangt. Het resultaat is een charmant, ietwat rommelig maar volledig functioneel vervoermiddel dat de basis vormt voor het grote avontuur dat volgt.

Met het Fliewatüüt vertrekken Tobbi en Robbi richting de Noordpool, vastbesloten om Robbi’s ouders te redden. Hun reis voert hen door verschillende landschappen en brengt hen in contact met kleurrijke personages die hun tocht zowel bemoeilijken als verrijken.

Een race tegen de klok
Tegelijkertijd worden Tobbi en Robbi op de hielen gezeten door de machtige ondernemer Sir Joshua, het hoofd van het technologiebedrijf PlumPudding. Hij heeft lucht gekregen van de bijzondere robottechnologie die Robbi bezit – technologie die machines gevoelens kan geven. Sir Joshua ziet hierin een kans om zijn bedrijf ongekende macht te geven en wil Robbi koste wat kost in handen krijgen.

Om zijn doel te bereiken huurt hij twee agenten in: Sharon Schalldämpfer en Brad Blutbad. Deze duo’s vormen een komische maar gevaarlijke bedreiging voor de jonge helden. Hun achtervolging zorgt voor spanning en humor, en geeft de film een dynamisch tempo.

Ontmoetingen onderweg
Tijdens hun reis komen Tobbi en Robbi verschillende mensen tegen die hun avontuur beïnvloeden. Een van de meest memorabele ontmoetingen vindt plaats op de Noordzee, waar ze de eenzame vuurtorenwachter Matti tegenkomen. Aanvankelijk lijkt Matti niet te vertrouwen: hij verraadt de twee aan de agenten die hen achtervolgen. Maar wanneer hij beseft dat Tobbi en Robbi geen kwaad in de zin hebben, draait hij bij en helpt hij hen verder op weg. Zijn personage voegt een vleugje melancholie toe aan het verhaal, maar ook warmte en menselijkheid.

Eenmaal aangekomen op de Noordpool ontmoeten ze het Inuit-meisje Nunu. Zij sluit zich bij hen aan en helpt hen in de zoektocht naar Robbi’s ouders. Nunu brengt niet alleen kennis van het gebied mee, maar ook een nieuwe dynamiek in de groep. Haar aanwezigheid benadrukt thema’s als vriendschap, vertrouwen en samenwerking over culturele grenzen heen.

Een reddingsmissie met een hart
Hoewel Tobbi, Robbi en Nunu de Noordpool bereiken, blijkt dat Robbi’s ouders al zijn opgespoord door de agenten van Sir Joshua. Ze zijn naar Duitsland teruggebracht om daar onderzocht te worden. Wat volgt is een spannende reddingsactie waarin de kinderen hun slimheid, moed en vindingrijkheid moeten inzetten om de robots te bevrijden.

De film eindigt op een warme, optimistische toon. Robbi’s ouders worden herenigd met hun zoon en vinden een nieuw thuis bij Tobbi’s familie. Tobbi zelf heeft niet alleen een nieuwe vriend gevonden, maar ook meer zelfvertrouwen en een gevoel van eigenwaarde. Samen met Robbi blijft hij avonturen beleven in het Fliewatüüt, dat symbool staat voor vrijheid, fantasie en de kracht van vriendschap.

Productie en filmische aanpak
De film werd geproduceerd door Wüste Film en Wüste Film West, in samenwerking met het Belgische animatiebedrijf Walking The Dog en Studiocanal Film. De opnames vonden plaats op verschillende locaties in Duitsland. De scènes die zich afspelen in Tütermoor werden opgenomen in het pittoreske Friedrichstadt in Noord-Friesland, een stadje dat met zijn grachten en historische gevels een charmante achtergrond vormt voor het verhaal. Andere opnames vonden plaats in Keulen en Bad Driburg.

De première vond plaats op 20 november 2016 in de Cinedom-bioscoop in Keulen. De film combineert live-action met animatie en visuele effecten, waardoor Robbi en het Fliewatüüt op een geloofwaardige en speelse manier tot leven komen. De makers kozen voor een moderne stijl, maar met respect voor de nostalgische sfeer van het oorspronkelijke boek.

Die Sendung mit der Maus

Sinds het begin van de jaren zeventig is Die Sendung mit der Maus uitgegroeid tot een van de meest geliefde en invloedrijke kinderprogramma’s van de Duitse televisie. Wat begon als een experimenteel format onder de naam Lach- und Sachgeschichten für Fernsehanfänger ontwikkelde zich al snel tot een cultureel fenomeen dat niet alleen kinderen, maar ook volwassenen wist te boeien. Het programma, dat in 1971 voor het eerst werd uitgezonden, combineert humor, animatie en educatie op een manier die uniek is in het Europese televisielandschap.

Een programma met een missie
Hoewel Die Sendung mit der Maus op het eerste gezicht een vrolijk kinderprogramma lijkt, schuilt er een duidelijke educatieve ambitie achter. De makers wilden jonge kijkers op een toegankelijke manier kennis laten maken met de wereld om hen heen. Dat deden ze door complexe onderwerpen terug te brengen tot begrijpelijke verhalen, ondersteund door heldere beelden en eenvoudige taal. Juist die combinatie van speelsheid en inhoud maakte het programma vanaf het begin bijzonder.

Opmerkelijk genoeg bleek de aantrekkingskracht van het programma veel breder dan alleen de doelgroep. In 2005 meldde de Duitse krant Welt am Sonntag dat de gemiddelde kijker maar liefst 39 jaar oud was. Dat zegt veel over de kwaliteit van de inhoud én over de nostalgische waarde die het programma voor volwassenen heeft.

De productie en de makers
Die Sendung mit der Maus is een coproductie van verschillende regionale Duitse omroepen, waaronder WDR, RBB, SR en SWR. De uitzending vindt traditioneel plaats op zondagochtend op Das Erste (ARD), een tijdstip dat inmiddels bijna synoniem is geworden met de vrolijke muis en zijn blauwe olifantenvriend.

De animaties die het programma zo herkenbaar maken, zijn oorspronkelijk ontworpen door Friedrich Streich. Zijn eenvoudige, expressieve stijl gaf de muis en de olifant een tijdloze uitstraling. De korte, woordloze filmpjes waarin de muis en de olifant allerlei kleine avonturen beleven, vormen nog altijd een vast onderdeel van de uitzending.

De opzet: lachen en leren hand in hand
Het programma bestaat uit twee hoofdonderdelen: de Lachgeschichten en de Sachgeschichten. De Lachgeschichten zijn de humoristische animatiefilmpjes, vaak met de muis, de olifant of andere bekende figuren zoals het Tsjechische molletje (Krtek). Deze korte filmpjes zijn licht, grappig en bedoeld om kinderen te vermaken.
De Sachgeschichten vormen het educatieve hart van het programma. Hierin worden uiteenlopende onderwerpen uitgelegd, variërend van historische thema’s tot natuurkundige principes en van maatschappelijke vraagstukken tot technologische innovaties. De kracht van deze filmpjes zit in hun eenvoud: ingewikkelde processen worden stap voor stap uitgelegd, zonder jargon en met veel visuele ondersteuning.

Bekende gezichten
De presentatie van de Sachgeschichten is in de loop der jaren in handen geweest van verschillende vertrouwde gezichten.
• Armin Maiwald, een van de grondleggers van het programma, staat bekend om zijn rustige, vriendelijke manier van uitleggen.
• Christoph Biemann, die in 1983 bij het team kwam, werd al snel een publiekslieveling dankzij zijn kenmerkende groene trui en zijn humoristische stijl.
• Ralph Caspers, sinds 1999 betrokken, bracht een frisse, moderne toon in het programma en wist een nieuwe generatie kijkers aan zich te binden.

Samen vormen zij het gezicht van een programma dat al meer dan vijftig jaar meegaat.

Een wereld vol onderwerpen
De variatie in thema’s is een van de redenen waarom Die Sendung mit der Maus zo lang relevant is gebleven. De Sachgeschichten behandelen werkelijk alles wat kinderen (en volwassenen) zich kunnen afvragen. Enkele voorbeelden van onderwerpen die in de loop der jaren aan bod kwamen:
• Hoe werd het oude Rome gebouwd?
• Wat gebeurt er tijdens een vulkaanuitbarsting?
• Hoe werkt zwaartekracht?
• Wat doet een politicus precies?
• Hoe wordt een vliegtuig gemaakt?
• Wat gebeurt er met afvalwater?
• Hoe werkt het internet?
• Hoe zag de wederopbouw van Duitsland eruit na de Tweede Wereldoorlog?

Daarnaast zijn er talloze afleveringen gewijd aan het productieproces van alledaagse voorwerpen. Van potloden tot tennisballen en van bierblikjes tot auto’s: de muis laat zien hoe dingen ontstaan, vaak door letterlijk achter de schermen mee te kijken in fabrieken en werkplaatsen.

De invloed op Nederland
Hoewel Die Sendung mit der Maus een typisch Duits programma is, heeft het ook in Nederland een belangrijke rol gespeeld. Onder de titel Het Programma met de Muis werd het enkele jaren uitgezonden op de Nederlandse televisie. Het programma werd hier goed ontvangen, maar verdween in 1976 van de buis toen Sesamstraat zijn intrede deed.

Toch bleef de muis ook daarna een bekende verschijning in Nederlandse huiskamers. In de jaren zeventig en tachtig konden veel Nederlanders namelijk Duitse televisiezenders ontvangen via de antenne of via kabelsystemen, vooral in de Randstad. Daardoor groeiden talloze Nederlandse kinderen op met Duitse kinderprogramma’s zoals Die Sendung mit der Maus, Sandmännchen en Löwenzahn. Voor velen werd het kijken naar Duitse kindertelevisie een vanzelfsprekend onderdeel van hun jeugd.
Interessant is dat er zelfs een periode was waarin een Nederlandstalige versie van Die Sendung mit der Maus op de Duitse televisie werd uitgezonden. Dit illustreert hoe internationaal geliefd het programma was en hoe gemakkelijk het zich aanpaste aan verschillende talen en culturen.

Waarom de muis nog steeds relevant is
In een tijd waarin kinderen worden overspoeld met digitale prikkels, streamingdiensten en snelle content, blijft Die Sendung mit der Maus opvallend standvastig. Het programma kiest bewust voor rust, eenvoud en diepgang. Het tempo ligt lager dan in veel moderne kinderprogramma’s, maar dat is juist de kracht: het nodigt uit tot aandachtig kijken, nadenken en ontdekken.

Daarnaast blijft het programma zich vernieuwen. Nieuwe technologieën, maatschappelijke ontwikkelingen en actuele thema’s vinden steeds hun weg naar de Sachgeschichten. Zo blijft de muis een gids in een wereld die voortdurend verandert.

Een blijvende erfenis
Die Sendung mit der Maus is meer dan een televisieprogramma. Het is een instituut dat generaties heeft gevormd, nieuwsgierigheid heeft aangewakkerd en kinderen heeft laten zien dat leren leuk kan zijn. De combinatie van humor, eenvoud en inhoudelijke kwaliteit maakt het tot een uniek fenomeen dat zijn gelijke nauwelijks kent.

Of je nu in Duitsland bent opgegroeid of in Nederland via de Duitse zenders hebt meegekeken: de kans is groot dat de muis, de olifant en de kenmerkende Sachgeschichten een blijvende indruk hebben achtergelaten. En dat is precies wat dit programma zo bijzonder maakt.

Ravioli

In de jaren tachtig verscheen op de Duitse televisie een jeugdserie die zich al snel in het collectieve geheugen nestelde: Ravioli. De serie, een coproductie van UFA, ZDF en Imagion AG, werd geregisseerd door Franz Josef Gottlieb en gebaseerd op een idee van schrijver Justus Pfaue. Hoewel de reeks slechts een beperkt aantal afleveringen telde, groeide ze uit tot een cultklassieker, vooral dankzij de humor, de herkenbare gezinsdynamiek en de charmante chaos die de kinderen veroorzaken wanneer hun ouders op vakantie gaan.

Een onverwachte prijs en een gewaagd plan
Het verhaal begint wanneer Jarl-Kulle Düwel, een van de vier kinderen uit het gezin Düwel, een vakantie voor twee personen aan de Oostzee wint. In plaats van zelf van de prijs te profiteren, besluit hij zijn ouders deze welverdiende rust te gunnen. Zijn vader, Walter Düwel, is concertmeester aan de Berlijnse Opera en staat voortdurend onder druk. Zijn moeder, Beate, kan eveneens een adempauze gebruiken. De gewonnen reis blijkt bovendien een wellnessarrangement te zijn – precies wat ze nodig hebben om even te ontsnappen aan de hectiek van het dagelijks leven.

Met de ouders tijdelijk buitenspel komt de verantwoordelijkheid terecht bij de bijna achttienjarige Heide, de oudste dochter. Zij moet toezicht houden op haar jongere broers en zus, al krijgt ze af en toe hulp van oma Düwel. De ouders laten een ruime hoeveelheid huishoudgeld achter, bedoeld om drie weken lang eten en andere benodigdheden te kunnen kopen. Maar de kinderen hebben andere plannen.

Het grote Ravioli-experiment
In een vlaag van kinderlijke creativiteit – of roekeloosheid – besluiten de Düwel-kinderen hun leven drastisch te vereenvoudigen: drie weken lang zullen ze uitsluitend ravioli eten. De redenering is simpel: ravioli is goedkoop, voedzaam genoeg en iedereen in het gezin is er dol op. Het geld dat ze uitsparen, kunnen ze besteden aan dingen die ze altijd al wilden hebben.

En zo begint het experiment. Jarl-Kulle koopt een schrijfmachine, overtuigd dat hij op het punt staat een groot auteur te worden. Zijn zus Branka investeert in een volledige rollhockey-uitrusting en begint fanatiek te trainen. De jongste, de slimme en ondeugende Pepe, laat zijn fantasie de vrije loop en bedenkt voortdurend nieuwe manieren om het huishouden draaiende te houden – of om er juist een vrolijke puinhoop van te maken.

Aanvankelijk lijkt het plan te werken. Ravioli uit blik is snel klaar, goedkoop en – voor even – best lekker. Maar na een paar dagen slaat de verveling toe. De kinderen beginnen te verlangen naar afwisseling, maar het geld is inmiddels grotendeels uitgegeven. Ze moeten creatief worden om aan ander eten te komen.

Creatieve oplossingen en groeiende chaos
Wat volgt is een reeks komische en soms chaotische situaties. De kinderen organiseren een ‘Mitbringparty’, waarbij iedereen iets te eten moet meenemen. Pepe sluit vriendschap met de eigenaar van de lokale worstenkraam, wat hen af en toe een gratis snack oplevert. Jarl-Kulle probeert op zijn beurt meisjes te versieren in de hoop dat zij voor hem en zijn broers en zussen willen koken. Zijn flirtgedrag levert hem al snel de bijnaam ‘Ravioli-Casanova’ op.

Ondertussen stapelen de huishoudelijke problemen zich op. Zonder ouders in de buurt blijkt het runnen van een huishouden een stuk lastiger dan gedacht. De vaatwasser loopt over, een snelkookpan ontploft en de woonkamer verandert meer dan eens in een slagveld. Uiteindelijk moeten de kinderen zelfs delen van de woning renoveren om de schade te herstellen.

Gelukkig is er altijd nog Max-Leo, de volgzame en altijd behulpzame vriend van Heide. Hij staat voortdurend klaar om te helpen, al is het maar om indruk te maken op zijn vriendin. Ook buurvrouw Frau Nettelbeck houdt een oogje in het zeil en springt bij wanneer de situatie uit de hand dreigt te lopen.

De ouders op vakantie – maar niet zonder problemen
Terwijl de kinderen thuis hun eigen avonturen beleven, verloopt de vakantie van de ouders allesbehalve ontspannen. Walter Düwel heeft geen enkele interesse in strandwandelingen of sportieve activiteiten. In plaats daarvan werkt hij stug door aan een nieuwe symfonie. Zijn gedrag zorgt voor irritatie bij zowel het kamermeisje Lorchen als bij de strenge Frau Dr. Klotz, die zich vooral stoort aan zijn rookgewoonten en zijn onvoorspelbare gedrag.

Beate daarentegen stort zich enthousiast op het wellnessprogramma en probeert het beste uit de vakantie te halen. Ondanks de spanningen blijkt Walter’s muzikale inspiratie niet voor niets: zijn nieuwe compositie begint vorm te krijgen en lijkt veelbelovend.

Humoristische elementen en herkenbare thema’s
Een van de redenen waarom Ravioli zo geliefd werd, zijn de terugkerende running gags. Zo stort de garderobe in de hal voortdurend in, barricadeert Pepe zich regelmatig in de badkamer en krijgt Heide keer op keer ravioli over haar net gewassen haar. Deze herhalende grappen geven de serie een speelse, bijna slapstickachtige charme.

Ook de bijzondere voornamen van de kinderen – Jarl-Kulle, Branka, Heide en Pepe – worden verklaard in de serie: de ouders kozen telkens een naam die paste bij het land waar ze hun laatste vakantie hadden doorgebracht. Het is een klein detail, maar het draagt bij aan de eigenzinnige sfeer van de serie.

De serie werd in de jaren tachtig door de VARA uitgezonden op de Nederlandse televisie.

U kunt de inhoud van deze pagina niet kopiëren