Doopherder geeft zijn naam aan Alexander Linssen

Zoals het met namen vroeger vaker ging, zo heeft het ook in mijn eigen familie gespeeld. De grootvader van mijn moeders overgrootmoeder, Peter Dresen, werd op 29 april 1777 gedoopt in Bree, tegenwoordig behorend bij België, destijds nog behorend tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Door de inschrijving van zijn dochter Anna Maria (1819) werd waarschijnlijk zijn achternaam foutief aangehoord en heette zijn kinderen vanaf dat moment niet Dresen maar Driessen.

Peter trouwde met Maria Elisabeth Cillen, uit Neerglabbeek en verhuisde na hun huwelijk rond 1818 naar Elen. In 1824 verhuisde het gezin naar Nederweert waar Peter zich vestigde als kleermaker. Om het gemakkelijk te maken nam Peter hier ook de achternaam aan die zijn kinderen reeds hadden, en noemde zich Driessen.

In Nederweert waren in die tijd vele Kroatische soldaten gelegerd. In de gemeenterekeningen treffen we diverse betalingen aan voor leveranties van schapen, bier en wijn aan de militairen. Kleermaker Peter Driessen, zo lezen we, kreeg opdracht om de Kroatische kapitein Coras een nieuw uniform aan te meten. Peter ontving geen centen en later bleek ook nog dat niet alleen het uniform maar ook zijn kleermakersschaar was gestolen.

De vrouw van Peter, Maria Elisabeth werd vroedvrouw in Nederweert.

De eerste dochter van de kleermakersfamilie, Anna Maria werd, zoals dat vroeger traditie was, vernoemd naar de grootouders. Dochter Anna Maria huwde met Wilbertus (Bert) Linssen uit Nederweert en trad in de voetsporen van haar moeder en werd ook vroedvrouw in Nederweert, oftewel ‘wiesvrouw’, zoals dit beroep in het Nederweerts dialect wordt genoemd. En die dialectnaam werd naderhand gebruikt als bijnaam.

Traditie naar doopherder
De kleinzoon van Anna Maria, Alexander Linsen (1889) kreeg als bijnaam ‘Alex van Bert vanne wiesvrouw’. Overigens was deze Alexander de eerste parochiaan van Nederweert die door de nieuwe pastoor, Alexander Hubertus Meuwissen, werd gedoopt. Hoogstwaarschijnlijk heeft Alexander Linssen zijn roepnaam te danken aan de nieuwe herder van Nederweert. Dat was een traditie die in Nederweert in de negentiende eeuw gold.

Die traditie hield in dat als er een nieuwe pastoor werd benoemd, het eerste kind dat door hem gedoopt werd, naar de nieuwe herder werd vernoemd. Dat was een privilege van de pastoor en de familietraditie moest dan wijken. Bij onderzoek in de Nederweerter doopregisters zijn daar meerdere voorbeelden van gevonden. Bijvoorbeeld pastoor Petrus Scheijven (1835-1852), de bouwpastoor van de huidige St. Lambertuskerk. Hij heeft tijdens zijn pastoraat slechts éénmaal een doop verricht (alle volgende dopen liet hij over aan zijn kapelaans), en wel op 3 september 1835. Dat was de doop van de zoon van Joseph Breukers en Wilhelmina van Moorsel. Het kind heette Petrus Breukers; pastoor en dopeling droegen dus dezelfde voornaam. Het geval staat niet op zich. Een andere Nederweerter pastoor was Lambertus van de Winkel (1880-1884). Ook hij was bouwpastoor en wel van de grote pastorie in de Schoolstraat. Bij de aanvang van het vrij korte pastoraat van Lambertus van de Winkel was zijn eerste dopeling, op 4 februari 1880, een zoon van Joannes Donckers en Hendrina Verheijen. De jongen kreeg dus de naam Lambertus.

Vanuit onze stamboom, Alexander Linssen, is het derde voorbeeld die bewijst dat het om een traditie gaat, immers de naam Alexander komt niet in dit gedeelte van de stamboom voor en was in die tijd vrij zeldzaam in de contreien van Nederweert. In de parochiekroniek van St. Lambertus staat vermeld ´Den 4 juni 1889 werd ik, Alexander Hubertus Meuwissen benoemd tot pastoor te Nederweert en aldaar als dusdanig plechtig door den HoogEerwaarde Heer Kanunnik-Deken van Weert geïnstalleerd den 25 juni 1889´. De nieuwe pastoor voegt er nog fijntjes aan toe ´terwijl mijn verzoek om te Roggel mogen verblijven onverhoord was gebleven´. Daarmee uiting gevend aan toch wel enige frustratie over de van hogerhand afgedwongen overplaatsing. Pastoor Alexander Meuwissen werd dus op 25 juni 1889 in Nederweert geïnstalleerd. De eerste doophandeling van de nieuwe herder was slechts een paar dagen later, op zondag 30 juni, en dat was dus Alex Linsen. Hij zou later uitgroeien tot een man van grote naam en faam als aannemer, metselaar, handelaar in bouwmaterialen en cafébaas van Excelsior (het latere café Madeira in de Brugstraat) in Nederweert.

Frencken: Van Vlodrop naar Reuver-Leeuwen

Dat de familie Frencken zich enkele eeuwen concentreerde rondom Roermond, was al bekend. Loe Giesen achterhaalde een interessant feit over Adamus Frencken, een van mijn directe voorvaderen. In 1736 en 1739 laten Adamus Frencken en Agnes van der Kitsen twee kinderen dopen in Beesel.

“Het lijkt er op dat de roepnaam Daem nogal vrij vertaald is: zelf wordt hij Adamus als Damianus genoemd, terwijl hij bij een kind van zijn zoon Joannes wordt vernoemd als Dominicus. Daem Frencken wordt onder andere genoemd in de hoofd- en beestenschat van 1734, net voor Peter Rulkens, waarvan we weten dat hij op dat moment pachter is van hoeve de Zang in de buurtschap Leeuwen”, zo vertelt Loe Giesen.

“Waarschijnlijk is Daem pachter van de nabijgelegen hoeve de Schei. In eerdere lijsten vinden we net voor de Zang nog Tulmen Linders. Deze overlijdt in februari 1730 en als in januari 1733 ook zijn vrouw Anna Backer overlijdt, moeten de eigenaren van de Schei op zoek naar een nieuwe pachter. Die vinden ze kennelijk in Vlodrop”, zo vervolgt Giesen.

Het gezin Frencken blijft slechts één pachttermijn; Daem wordt opgevolgd door Hendrick Stevens.

Het gezin Frencken-van der Kitsen is als volgt:

8 oktober 1720
VLODROP – Gehuwd: Adamus Frencken [Daem, begr. Vlodrop 28-6-1745] en Anna van der Kitsen [Agnes, mogelijk dr. van Tilmanus van der Kitsen] Getuigen: Joannes van der Kitsen en Hindericus Frencken.

Uit dit huwelijk (eerste kind verwekt vóór huwelijk):
1. Maria Anna Frencken, ged. Vlodrop 18-3-1721 (get. Daem Houben en Maria Anna Crebbers; dr. van Daem x Agnetis Kitsen).

2. Lambertus Frencken, ged. Vlodrop 27-3-1725 (get. Joannes Frencken en Catharia NN; zn. van Adamus x Agnetis van der Kitsen), begr. Melick 10-1-1781. Tr. 1) Melick 18-6-1752 met Maria Beurskens; 2) Melick 20-10-1769 met Maria Hommen.

3. Joannes Frencken, ged. Vlodrop 23-5-1728 (get. Martinus Houben en Catharina van der Kitsen; zn. van Damianus x Agnetis van der Kitsen). Tr. Vlodrop 5-11-1752 met Mechtildis van der Beeck.

4. Tilmanus Frencken, ged. Vlodrop 17-10-1731 (get. Wilhelmus van der Loo en Gertrudis Raemeckers; zn. van Adamus x Agnes van der Kitsen).

5. Maria Frencken, ged. Vlodrop 12-4-1734 (get. Jacobus Bosch en Ida van den Borgh; dr. van Adamus x Agnetis Thielen).

6. Gertrudis Frencken, ged. Beesel 15-10-1736 (get. Petrus Rullekens en Maria van der Kitzen; dr. van Adamus x Agnetis van der Kitzen). Tr. Roermond 8-2-1779 met Henricus Paulissen.

7. Catharina Frencken, ged. Beesel 25-8-1739 (get. Henricus Ramaeckers en Maria Crompvoet voor Gudula oftewel Gebel Frencken; dr. van Adamus x Agnetis van der Kitzen).

Krieëmers-Letiense jaochtbelèvenisse van Krane Sr.

Graad Engels (1907-1984) was bedreven met de Heldense taal, schreef heel veel. Voor kapper Jac. Kranen (1917-1995) schreef hij in 1980 een verhaal over diens grootvader, mijn betovergrootvader, Bernardus Kranen (1838-1921). Ik neem dit ‘sterk verhaal’, zoals Graad Engels het noemde, letterlijk over.

Jaochtbelèvenisse
Mét ’t geweer onger d’n erm, de weotaos op te rök, en d’n honk vör ‘m oet paterde d’n aoje Krane over de Sjöddelkesweeg over ’t Hazenakker de beus in, öm zien vrouw gèt vör de pot te sjaoffe.

H’e kreeg niks op te korrel tottét ’n dor ’t Sjpoeëkesjtrötjen an de rank van ’t Kééssels veld jennen haas aansjoot.

Dè laog t’r zich neet bei neer, mer gong d’r op dreej puuët tössen oet. Kraon en hongk öm nao; ierst te Keizersbaan over; toe dor ’t Brook over de Riekswaeg ’t Meuleveldj door tot bei Gravenhoof nao de Maas. Al waas ’n dan flink kreupel; hè hij de Kraon en d’n hongk zich t’n aom oet ’t lief laote laupe. Mér nou, an die Maas: ‘Ha ménken, oe bliefs te nou?’ Krane lekde zich al de luppe. Mèr, wat daoch ste? ’t Waas hé wintjer, en de Maas gong mèt ies .

D’n haas sjprong op ’t ies, en doe van sjol op sjol nao d’n Beeselse kankt. Gans van sjtreek sjtong Kranen dao. Öm nao; det koos te jeeger neet; en d’n hongk waogde zich neet. Sjeete waas ömzeus.

Dao opèns zaag Kranen, det ze an d’n Beeselse kangk e sjtök weit an ’t meije woren; en al hij e zich te zieël oet ’t lief gelaupen, hè reep: ‘Hèj, hèj! Haot öm taege!’ Mér ’t waas vergèèfs. Ze huurden ’t neet, of ze woren te sjtom öm vör d’n duuvel te danse.

Krane waas ennen bekwaome sjerpsjötter; en hè hei auch ’n boetegewoeën god geweer. Dao hei’en ’t wel èns over, as ’n d’n boor op trooch mmèt te krieëmerskér. He koos in eine sjeut ’n ganse hèk meusse leeg sjeete!

Over Graad Engels
Graad Engels werd in 1907 te Helden geboren in het gehucht ‘Eyndt’. Tot 1938 was hij werkzaam op de boerderij van zijn vader. Daarna kwam hij in dienst als voorlichter bij de Rijkslandbouwvoorlichting, waar hij kennis van bodem, plant en dier nuttig kon gebruiken en uitbreiden.

Vanwege zijn beroep kwam hij veelvuldig in contact met de boerenbevolking bij wie nog veel van het oude cultuurgoed leefde. Hij raakte geboeid door alles wat met geschiedenis en volkscultuur te maken had. Doordat hij begreep dat veel van wat hij hiervan op het land hoorde en zag verloren ging, begon hij aan zijn notities omtrent gebruiken, volksverhalen, liederen, dialect en oude ambachten. Hij stelde een lijst samen van verdwijnende dialectwoorden, verzamelde verhalen en uitdrukkingen en schreef rapporten over oude ambachten. Zijn bijnaam ‘Culturele Graad’, zal niemand verbazen.

Sinds 1950 was hij medewerker aan het Instituut voor Dialectologie en Volkskunde van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen te Amsterdam en van de Universiteit van Nijmegen.

Na zijn pensionering vond hij de tijd om zijn verzameling notities uit te werken en te ordenen. Een van de resultaten hiervan is een bundel ‘Det dank’tich d’n duvel’.

Graad vond het belangrijk dat zijn volkskundige notities niet verloren gingen en wenste vooral dat de bevolking van de eigen streek kennis blijft nemen van wat haar eigen cultureel erfgoed is.

Naar zijn eigen woorden
Graad Engels sprak bij het verschijnen van diens bundel, ‘Det dank’tich d’n duvel’ in 1977 de woorden: “Het verbaast me telkens hoe levend en rijk onze spreektaal is aan uitdrukkingswijzen. Het is jammer dat velen deze niet meer kennen. Als ik tegenover jongeren in een gesprek, met opzet of toevallig, uit deze woordenschat put, gebeurt het maar al te vaak dat men mij niet verstaat.”

Aandacht voor Helje oos Dörp bij lokale omroep

Bij lokale omroep P&M is deze week aandacht voor de website Helje.online die onlangs de lucht in ging. Het artikel dat bij de lokale omroep bij een nieuwsfilmpje staat lees je hier.

‘Helje Oos Dörp’, het lied over Helden, raakt steeds meer in de vergetelheid. Dat vindt Pieter Janssen, een echte Heldenaar en groot liefhebber van het lied, dat werd geschreven door zijn grootvader. Pieter wil het lied in een nieuw jasje steken.

Schouders eronder
Het nummer werd in 1947 geschreven door zijn grootvader. “Wat er zo speciaal aan is, is dat het nogal een positieve inslag heeft. Met z’n allen de schouders eronder en we maken er het beste van”, zo schetst Pieter de tekst van het Heldense lied. Toch kan hij de tegenhanger van het lied, Sjoën Helje Dörp van de Bretelboys, ook waarderen. “Ook machtig mooi, maar Helje Oos Dörp is net ietsje ouder.”

Brazilië
Het lied is de afgelopen jaren in verschillende hoedanigheden gedraaid, zelfs in het verre buitenland. “Op lagere scholen werd het gerepeteerd, de fanfare speelde het een heel aantal keren en het is gezongen tijdens de installatie van een burgemeester. Het is zelfs in Brazilië gezongen voor een pater”, vertelt Pieter in het Heldens dialect.

Website
Pieter wil dat het lied behouden blijft, ook voor de volgende generaties. Hij heeft daarom een website over Helje Oos Dörp gemaakt: Helje.online. “Het lied is niet meer zo bekend. De mensen van 60 jaar en ouder kennen het lied nog wel, maar daaronder niet. Dat vind ik eeuwig zonde”, zegt Pieter, die een uitvoering van Helje Oos Dörp tijdens een bruiloft in 1958 heeft weten op te rakelen. “De waardering moet er komen om dit lied vereeuwigd te houden, dus daarom ben ik die website begonnen.”

Moderniseren
Inmiddels liggen er plannen klaar om het Heldense lied nieuw leven in te blazen. Als het aan Pieter ligt, moet het vooral wat moderner worden. “Mijn opa schreef Heldje met een D. In Weert spreken ze het ook nog steeds zo uit, maar die D is in de vergetelheid geraakt”, weet hij. En zo zijn er in de authentieke tekst van Helje Oos Dörp nog meer voorbeelden van (enigszins) vervlogen tijden. “Ze hebben het over De Beus en Kouberg. Dat zijn woorden die we anno 2024 eigenlijk niet meer kennen”, aldus Pieter.

Helje oos dörp in dialect-website

Net na de Tweede Wereldoorlog schreef Sief Frencken uit Helden de tekst voor het eerste Heldense volkslied, ‘Heldje oos dörp’, genaamd. Zijn zwager Will Kranen schreef de muziek. Vele jaren werd het lied op diverse gelegenheden in Helden-Dorp gezongen en gespeeld, of het nu was op de lagere school of bij gelegenheden waarbij de Heldense Fanfare ‘Sint Cecilia’ de zangers muzikaal ondersteunde. De wat oudere Heldenaren herkennen het lied meteen, de wat jongere zegt het niets. Het lied is in de vergetelheid geraakt. Vandaar dat een website dit lied een blijvende herinnering moet geven.

Idderein kan ’t dao bevalle
Om aan te tonen dat het goed toeven is in Helden, werd bij de installatie van burgemeester Hoeijmakers in 1964 het lied gezongen. Het lied werd op veel plekken binnen de Dörper gemeenschap gezongen. Bij Jong Nederland in Helden stond het lied vaak op het programma maar ook op de lagere school maakte het onderdeel uit van een lesdag.

Sjoeën Helje-Dörp
“Iedereen kent het lied ‘Sjoeën Helje Dörp’ van De Bretelboys, het lied ‘Heldje oos dörp’ wordt de laatste jaren niet meer gezongen of gespeeld. De wat oudere inwoners van Helden-Dorp kennen het nummer. En om het niet in de vergetelheid te laten komen, wil ik zorgen voor een blijvend iets, vandaar een website over dit eerste Dörper volkslied”, aldus Pieter Janssen die de site geheel in het Hèljes dialect samenstelde. Janssen is een kleinzoon van tekstschrijver Sief Frencken (1907-1974).

Helje.online
De website www.helje.online geeft de tekst van het lied, de muziek, beschrijft de historie en het veranderen van de Hèljese taal maar wist ook de oudste opname van het lied, uit 1958, op te duiken. “Mijn grootvader was altijd met taal bezig. Geschiedenis en taal hebben mijn interesse dus kon dit mooi samengevoegd worden”, zo vertelt Pieter Janssen.
Naast het lied is er op de website ook aandacht voor het Hèljes dialect in een bredere zin en zijn er links naar websites die ook met de Heldense geschiedenis bezig zijn.

In uitgave 80 van ‘De Moennik’, het tijdschrift van Heemkundevereniging Helden is er uitgebreid aandacht voor het eerste Dörper volkslied. Hierin staat ook de gehele tekst van het lied, door Sief Frencken in 1947 geschreven en zijn er enkele anekdotes te lezen.

Meester Frencken en de Pupil

Jacques Frencken is in Beringe bekend onder zijn geuzenaam ‘Meester Frencken’. Als hoofd der school was hij een bekend gezicht in de dorpskern van de voormalige gemeente Helden. Op deze website schreven we eerder over hem, want hij wist in 1944 op opzienbarende wijze aan de Duitsers te ontsnappen en hij was na de Tweede Wereldoorlog samen met zijn broer Harry de úitvinder’ van de ‘Pupil’, een zelfbouwradio, op de markt gebracht door de firma van broer Harry, Maxwell. Over die ‘Pupil’ kwam een filmpje boven water.

In het filmpje is te zien hoe radioamateur Piet Lassche een werkende ‘pupil’ aanbiedt aan de toen 89-jarige Jacques Frencken. De zoon van Jacques, Henk Frencken meldt: “Ik heb het filmpje gemaakt toen mijn vader 89 jaar was, een jaar voor zijn overlijden in 2013.”

Tevens is te zien hoe Jacques Frencken vertelt over een toenmalige radio-uitzending. Daarnaast vertelt Jacques dat de kastjes waar de ‘Pupil’ in zat in Panningen gemaakt werden door een bedrijf die dozen voor sigarenfabrieken maakte, waarin het radiotoestel goed paste.

Er zijn drie generaties Frencken te zien in de film, grootvader Jacques, zoon Henk en kleinzoon Han. Grootvader Jacques geeft in het filmpje nog wat achtergrondinformatie, zo vertelt hij dat Philips op een bepaald moment in de gaten kreeg dat de ‘Pupil’ erg in trek was en een eigen versie maakte, genaamd ‘pionier’.

De ‘Pool’ en de spelling

Nu de vastelaovend achter ons ligt en er weer veelvuldig ‘Heljes’ geschreven is, roept dit altijd vragen op wat nu de èchte juiste spelling is. Natuurlijk, er is het Hèljes woordenboek maar soms blijven zaken discutabel. Mijn grootvader Sief Frencken was bijzonder bedreven in de Hèljese taal en schreef diverse gedichten, liedjes en voordrachten in zijn moederstaal, maar wat is nou goed en wat is ietsje minder goed?

Op 29 november 1947 stuurde een zekere L.C. in Nieuwsblad ‘Midden-Limburg’ dat wekelijks dialect gedichten van mijn grootvader publiceerde, een ingezonden brief.

Als lid van ‘Veldeke’ (vereniging tot instandhouding en bevordering der Limburgse dialecten) verheugde het mij ten zeerste, enige weken geleden in dit weekblad een gedicht aan te treffen in ‘t ‘Heldjes’. Dit is ene gebeurtenis in het bestaan van Midden-Limburg, die maar al te zelden voorkomt. Het zou mij en het bestuur van Veldeke een groot genoegen doen, wanneer er meerdere stukken proza of poëzie in onze dierbare streektaal zouden verschijnen. Vooral daar ‘t ‘Heldjes’ zo goed als niet vertegenwoordigd is in ‘t maandblad van deze vereniging.

Enige opmerkingen moeten mij nochthans van het hart. De schrijver van ‘Ontkroeënde Pool’, heeft herhaalde malen gezondigd tegen de spelling van het dialect. De klanken die hij schrijft geven niet de uitspraak aan, zoals die in ‘t ‘Heldjes’ gehoord wordt. Laat ik hier enige voorbeelden van geven.
Hij schrijft Burgemisjter, terwijl dit moet zijn Börgenèsjter; Durp i.p.v. Dörp en i.p.v. ‘t lilker i.p.v. lèlleker, kestanje i.p.v. kerstaanje, poeul i.p.v. päöl, mit i.p.v. mèt. Verder meen ik een inconsequentie te moeten zien in ‘sjuute’ (met een j) en ‘struuk’ (zonder j).

Indien iemand meent, het hier niet mee eens te zijn, zoeke hij no 96 Aug 1942 van het tijdschrift ‘Veldeke’ op, waarin als bijlage verscheen: ‘aanwijzingen voor de spelling der Limburgse Dialecten’. Hij zal hiermede in meerdere opzichten zijn voordeel kunnen doen.

Nu ik toch over dialect aan ‘t schrijven ben, wil ik ook eens de aandacht vestigen op het volgende verschijnsel. Meerdere personen, vooral de jeugd, helaas ook ouderen, hebben de onnozele gewoonte om, zodra ze een paar keer in Venlo zijn geweest, geen ‘Heldjes’ meer te ‘kallen’, maar Venloos te ‘praote’. Ons goed ‘Heldjes’ is volgens hen schijnbaar maar een inboorlingentaaltje, goed voor ‘kinderen en heikneuters’. Met deze gewoonte maken zij zich zelf belachelijk, vooral als men kan constateren, dat missionarissen, die tientallen jaren in de rimboe hebben gezeten, ‘Heldjes’ spreken van het zuiverste water.
L.C.

Over het gedicht waar ‘L.C.’ over spreekt: Dat lees je hier.
Het spreekt voor zich dat bovenstaand ingezonden stuk voor rekening van de auteur, L.C., is.

Hoe Craenen Kranen werd

Het kan verkeren met namen. Zeker ten tijden dat nog lang niet iedereen kon lezen en schrijven werden regelmatig namen foutief genoteerd daar men veelal fonetisch te werk ging. Zo werd Johannes wel eens Joannes, Peeters Peters en Janssen Jansen. Bij de familie Craenen uit Leveroij gebeurde een gelijksoortig iets.

Mijn grootmoeder heette Kranen, vandaar dat ik in de zoektocht naar mijn voorouders bij een opmerkelijkheid uit kwam.

Mijn betovergrootvader Bernardus Kranen werd op vrijdag 23 maart 1838 om 04.00 uur in Leveroij geboren. Diens vader, Pierre Craenen spoedde zich om 15.00 uur diezelfde dag naar de Burgerlijke Stand van Nederweert, waar Leveroij toen al toe behoorde, om zijn eerst geboren zoon aan te geven. Toenmalig burgemeester Adriaan Willem Vullers noteerde de geboorte.

‘FOETELEN’ MET CIJFERS EN NAMEN
Pierre Craenen kon, net als diens vrouw Johanna (Jeanne) Nijs niet lezen en schrijven. Toch leidde hij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand om de tuin. Toen deze hem vroeg wat zijn naam was, meldde hij zich als Peter Kranen, 34 jaar. Die leeftijd was een dingetje, want het jaar daarvoor, bij zijn wettelijk huwelijk, gaf hij op dat hij toen 35 jaar was.
Craenen werd geboren op 11 mei 1802 en was, toen hij huwde op 28 oktober 1837, 34 jaar. Hij was ‘in zijn 35ste, zoals dat vroeger wel eens gezegd werd, maar of hij dat bedoeld heeft is hoogst onwaarschijnlijk. Vast staat in elk geval dat hij bij de geboorte van Bernardus zich wat jonger voordeed dan hij eigenlijk was. De reden hiervoor zou kunnen duiden op het feit dat de periode tussen het huwelijk van Pierre en Johanna nog geen vijf maanden lag en het echtpaar waarschijnlijk is ‘moeten’ trouwen.

Peter Kranen, die eigenlijk Pierre Craenen heette vertelde diezelfde dag aan burgemeester Vullers dat hij gehuwd was met Johanna Elisabeth Nies, terwijl diens echtgenote officieel Nijs heette. Hij maakte melding van de geboorte van diens zoon, Bernardus, die door spraakverwarring of bewuste keuze dus het geboorteregister van Nederweert, onder nummer 12.071 in aktenummer 64 genoteerd werd als Bernardus Kranen.

Vreemd is het zeker, want vier jaar na de geboorte van Bernardus werd diens broer Joannes geboren, en die werd in de Burgerlijke Stand genoteerd als Craenen.

U kunt de inhoud van deze pagina niet kopiëren