De ‘Pool’ en de spelling

Nu de vastelaovend achter ons ligt en er weer veelvuldig ‘Heljes’ geschreven is, roept dit altijd vragen op wat nu de èchte juiste spelling is. Natuurlijk, er is het Hèljes woordenboek maar soms blijven zaken discutabel. Mijn grootvader Sief Frencken was bijzonder bedreven in de Hèljese taal en schreef diverse gedichten, liedjes en voordrachten in zijn moederstaal, maar wat is nou goed en wat is ietsje minder goed?

Op 29 november 1947 stuurde een zekere L.C. in Nieuwsblad ‘Midden-Limburg’ dat wekelijks dialect gedichten van mijn grootvader publiceerde, een ingezonden brief.

Als lid van ‘Veldeke’ (vereniging tot instandhouding en bevordering der Limburgse dialecten) verheugde het mij ten zeerste, enige weken geleden in dit weekblad een gedicht aan te treffen in ’t ‘Heldjes’. Dit is ene gebeurtenis in het bestaan van Midden-Limburg, die maar al te zelden voorkomt. Het zou mij en het bestuur van Veldeke een groot genoegen doen, wanneer er meerdere stukken proza of poëzie in onze dierbare streektaal zouden verschijnen. Vooral daar ’t ‘Heldjes’ zo goed als niet vertegenwoordigd is in ’t maandblad van deze vereniging.

Enige opmerkingen moeten mij nochthans van het hart. De schrijver van ‘Ontkroeënde Pool’, heeft herhaalde malen gezondigd tegen de spelling van het dialect. De klanken die hij schrijft geven niet de uitspraak aan, zoals die in ’t ‘Heldjes’ gehoord wordt. Laat ik hier enige voorbeelden van geven.
Hij schrijft Burgemisjter, terwijl dit moet zijn Börgenèsjter; Durp i.p.v. Dörp en i.p.v. ’t lilker i.p.v. lèlleker, kestanje i.p.v. kerstaanje, poeul i.p.v. päöl, mit i.p.v. mèt. Verder meen ik een inconsequentie te moeten zien in ‘sjuute’ (met een j) en ‘struuk’ (zonder j).

Indien iemand meent, het hier niet mee eens te zijn, zoeke hij no 96 Aug 1942 van het tijdschrift ‘Veldeke’ op, waarin als bijlage verscheen: ‘aanwijzingen voor de spelling der Limburgse Dialecten’. Hij zal hiermede in meerdere opzichten zijn voordeel kunnen doen.

Nu ik toch over dialect aan ’t schrijven ben, wil ik ook eens de aandacht vestigen op het volgende verschijnsel. Meerdere personen, vooral de jeugd, helaas ook ouderen, hebben de onnozele gewoonte om, zodra ze een paar keer in Venlo zijn geweest, geen ‘Heldjes’ meer te ‘kallen’, maar Venloos te ‘praote’. Ons goed ‘Heldjes’ is volgens hen schijnbaar maar een inboorlingentaaltje, goed voor ‘kinderen en heikneuters’. Met deze gewoonte maken zij zich zelf belachelijk, vooral als men kan constateren, dat missionarissen, die tientallen jaren in de rimboe hebben gezeten, ‘Heldjes’ spreken van het zuiverste water.
L.C.

Over het gedicht waar ‘L.C.’ over spreekt: Dat lees je hier.
Het spreekt voor zich dat bovenstaand ingezonden stuk voor rekening van de auteur, L.C., is.