Gezamenlijke voorouders leiden naar Heldense familie van Ninhuys

Iedereen familie? Als je ver genoeg gaat zoeken kom je met die bewering een heel eind, zeker in vroeger tijd toen leefgemeenschappen klein waren en er nog niet veel gereisd werd om een levenspartner te vinden. Per toeval ontdekte ik in mijn stamboom een familieband die start in 1643, toen Franciscus Nienhuis (later van Ninhuys) (1618-1666) in Helden trouwde met Margarita Jeucken (1625-1676).

Dochter Petronella (1646-1727) huwde met Mathias Goemans, deze tak komt uit bij Maria Dorothea Joosten (18749-1957) die in 1905 trouwde met Hendrik Jos Kranen (Kranes-Hein). Zij was mijn overgrootmoeder van moeders kant.

Dochter Maria Nienhuijs (1644-1727) trouwde in 1671 met Wilhelmus Verhaegh. Deze tak komt eveneens uit bij diezelfde Hendrik Jos Kranen (Kranes-Hein (1877-1952), mijn overgrootvader die trouwde met Maria Dorothea Joosten.

De familieband via de oudste dochter, Wilhelmina (1643-1712) is iets gecompliceerder. Zij huwde in 1664 met Henricus Wilms. De kleindochter van Wilhelmina, Petronella (1701), komt wederom uit bij Kranes-Hein maar de broer van Petronella (kunt u nog volgen…), Henricus Wilms (1668-1713) leidt vele generaties later via ‘Hoof Piet’ (1745-1833) naar mijn grootmoeder, Wilhelmina (Cato) Lenders (1903-1992), van vaders kant.

‘Iedereen familie’ heeft zo wel een hele aantoonbare betekenis.

Hij is (een heel stuk) af: De Frencken-stamboom

Het was medio 2016 toen vanuit een spontaan idee om een familie-reünie te organiseren, de interesse gewekt werd om eens uit te zoeken ‘waar wij vandaan komen’. Veel onderzoek, online, maar ook bij heemkundeverenigingen in onder meer Helden, Roermond, Roerdalen, Weert, het gemeentearchief van Peel en Maas en Roermond, het Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) in Maastricht en ik vergeet er beslist nog enkele. Nu, juli 2022, is de stamboom een heel stuk af.

Vandaag werd de Frencken-stamboom gepresenteerd, een boekwerk van bijna 650 pagina’s met gegevens, foto’s, verhalen en meer. Uiteraard is een stamboom nooit ‘af’, maar het ijkpunt is gemaakt. Van hieruit kunnen aanvullingen maar ook verbeteringen plaats vinden.

Ook interesse in deze ‘lijvige stamboom’? Stuur een mailtje en ik neem contact met je op.

Volksbelang heeft (bijna) alle winkelwaar!

Mathieu Frencken (1880-1961) heeft jarenlang geijverd en is opgekomen voor de belangen van de middenstand. In 1919 nam hij de winkel ‘Volksbelang’ in Panningen over van de familie Goossens. Het was een van de drukste winkels in Groot-Helden.

‘Klein maar dapper’ was Mathieu Frencken als zogenaamd ‘zet-kruidenier’ begonnen in de toenmalige Huishoek, later Steenstraat in Panningen.

Levensmiddelen waren er te koop maar ook werden naaimachines hersteld, zo blijkt uit een advertentie uit 1937. Bekend waren de sigaren welke er in de winkel te koop waren.

De winkel kende een grote aanloop van klanten. In 1958 werd besloten de winkel over te doen. Mathieu Frencken en zijn vrouw Petronella Crommentuijn (1883-1959) maakten plaats voor dochter Maria Elisabeth (Lies) (1913-2013) die met haar echtgenoot Frans Hermans (Koetsers Frans – 1912-1977) de winkel ging doen. Er vond een verbouwing plaats. “In de moderne en snelle tijd was intussen de winkel wat ouderwets geworden”, zo is terug te lezen in een artikel uit Midden-Limburg van 22 november 1958.
Gekozen werd om voor die tijd een moderne winkelinrichting te realiseren. Er werden drie afdelingen gerealiseerd: een baby-afdeling, een levensmiddelen-afdeling en een hoekje voor rookartikelen. Voor dat laatste plaatste men buiten de winkel een automaat, zodat klanten buiten openingstijden ook rookwaren konden verkrijgen, iets dat voor die tijd nieuw was en snel op diverse plekken in het straatbeeld te zien waren.

Mathieu en Petronella wilden het rustiger aan doen; lang konden ze hier niet van genieten want Petronella overleed negen maanden na hun ‘pensionering’. Op de Middenstandsjaarvergadering van 1960 stelde Frencken al zijn functies ter beschikking, omdat hij plaats wilde maken voor jongere krachten.
Ruim 35 jaar was hij bestuurslid van de R.K. Heldense Middenstand. Hij was voorzitter van de onderlinge glasverzekering, secretaris van de Middenstandszegelvereniging, bestuurslid van Santos en de Middenstands Handels Avondschool, vele jaren secretaris van het Actiecomité van de Middenstand en in de moeilijke jaren voor 1940 de grote promotor van de gezamenlijke inkoopvereniging, de KIV.

Door een noodlottig ongeval overleed Mathieu Frencken op maandag 30 oktober 1961 op 81-jarige leeftijd. Hij was per fiets op familiebezoek geweest bij zijn zoon Dré in Ommel en werd op de terugweg tussen Asten en Meijel aangereden door een tractor met aanhangwagen. Hierbij liep hij zware verwondingen op, waaraan hij is overleden.

De bevrijding in de herinnering van een vijfjarige

 

In 2005 werd mijn oom Peter Janssen (1940-2019) 65 jaar. In dat jaar gaf hij een boek uit over zijn jeugd in Everlo, waar hij in maart 1940 werd geboren als oudste zoon van To en Piet van Lètjes. De titel van het boek is ‘Pieje, een Limburgs dorpsjongetje’. Zijn vroegste jeugdherinneringen beginnen bij de bevrijding in 1944. Deze bijdrage bevat een aantal van deze herinneringen.

“Kom, gauw, opstaan en naar de Knip”, roept Moeke midden in de nacht in paniek. Maria en ik zijn meteen klaarwakker en we weten wat ons te doen staat: deken omslaan en gauw met Moeke, met Lucy op haar arm, over de straat naar de kelder van overbuurman de Knip (Knippenberg). We gaan schuilen voor de vliegtuigen die brommend overkomen. Buurvrouw Bouten Mien met de kinderen is er ook al. De Amerikaanse vliegtuigen, op weg naar Duitsland, worden bestookt door het Duitse afweergeschut. Bang zitten we in de donkere kelder, er brandt alleen maar een kaarsje. Het licht mag niet aan anders zien de vliegtuigen ons. (…) Bijna iedere nacht is het raak. Moeke en Bouten Mien zeggen dat de Pruusse heel hard terugvechten zodat de Amerikanen niet bij Venlo over de Maas kunnen komen.

De Pruusse zeggen dat we onmiddellijk weg moeten omdat het veel te gevaarlijk is. Moeke wil niet en zegt: “De Pruusse zeggen dat alleen maar om al ons vee mee te roven naar Duitsland.” Maar we worden toch ons huis uitgejaagd. Waar moeten we naar toe? Dan komt Nel van Rooyakkers, die bij ons dienstmeid is geweest. Ze zegt dat we voorlopig wel bij Rooyakkers op de Egchelse hei kunnen komen. Het is toch maar voor een paar dagen want de oorlog is bijna voorbij. (…) We houden het een week vol maar dan vindt Moeke het genoeg. Ze hoopt dat ze weer naar huis, naar de boerderij, kan. Ondertussen zullen de Pruusse wel weg zijn uit Everlo. Ze stopt Lucy weer in de kinderwagen en zo gaat ze, samen met Maria en mij, op weg terug naar huis. Op de Hub, halverwege de terugweg, ziet vrouw Delissen ons en komt naar buiten rennen. “Maar To, waar ga je naar toe met die kinderen?” Moeke vertelt dat ze terug wil naar Everlo. “Dat kan niet, To, de Pruusse zijn daar nog en het is veel te gevaarlijk.” Wat nu? “Nou dan kom maar bij ons, die paar kinderen kunnen er nog wel bij”, zegt vrouw Delissen, die zelf een groot gezin heeft. Moeke is blij en dankbaar en zegt dat ze over een paar dagen echt naar huis gaat als die Pruusse maar weg zijn. (…)

Het vechten wordt minder en na een paar weken vindt Moeke dat het lang genoeg geduurd heeft en nemen we dankbaar afscheid van vrouw Delissen en de kinderen. Zo lopen we naar huis. Alle koeien en varkens zijn weg, de Pruusse hebben alles meegenomen. Ze zijn kwaad omdat ze de oorlog verliezen. Daarom hebben ze de kar en zelfs onze twee fietsen, die in de goi kamer (beste kamer) stonden, ook meegenomen en verder alles kapot geslagen. Moeke zit erbij te huilen en ze is heel, heel kwaad op die rot Pruusse. Pa van Lotje, de oude buurman, komt binnen en vertelt dat de Pruusse gevlucht zijn en overal vee hebben meegenomen. Maar Frits, ons oude paard dat in de wei liep, hebben ze niet meegenomen. Die konden de Pruusse niet vangen; ze waren bang voor hem. Hij komt hinnikend aanlopen en Moeke aait hem over zijn kop. Wij zijn trots want ons paard is eigenlijk een soort verzetsheld. We slapen die nacht in de goi kamer en omdat we geen dekens meer hebben dekt Moeke ons toe met oude jassen. Maar we zijn toch een beetje blij want de Pruusse zijn weg.

De volgende dag komen de Tommies dan eindelijk. Grote vrachtwagens en tanks komen Everlo binnenrijden en daarop zitten zwaaiende soldaten. Er zijn zelfs zwarten bij, die hebben we nog nooit gezien. Alle mensen lachen en schreeuwen. We zijn bevrijd! Hoera! Een aantal tanks rijdt bij ons de wei in en een soldaat die de baas is, komt aan Moeke vragen of de soldaten een paar dagen op het pakhuis (de graanzolder) mogen uitrusten en slapen. Moeke vindt het natuurlijk goed, ze is trots dat de soldaten bij ons komen logeren. Als ze goed uitgerust zijn gaan ze naar Duitsland om Hitler helemáál te verslaan en dan komt Vader ook weer gauw thuis. De soldaten zijn heel vriendelijk, ze lachen veel en de radio’s die ze bij zich hebben spelen keiharde muziek. Joep Bouten, mijn buurjongen en ik zijn niet weg te slaan bij de tanks. De soldaten geven ons koekjes en vragen “Tsjokklad, tsjokklad?” Wij weten niet wat het is maar zeggen “yes, yes” want het zal best wel iets lekkers zijn. Ze geven ons ieder een reep chocola en gebaren dat we die kunnen opeten. We steken de reep met zilverpapier en al in de mond. Au, au, wat is dat nou. De soldaten lachen en doen het zilverpapier eraf. O …. wat is die tsjokklad toch lekker. Van een andere soldaat krijg ik een soldatenriem en ook nog een oude helm die ik trots opzet en niet meer af wil doen. Joep wil hem ook hebben maar dat gebeurt niet, zelfs als ik ga slapen hou ik de helm op. Ik ben ook soldaat en ik ga later ook vechten tegen Hitler.

Na een paar dagen zijn de soldaten uitgerust en moeten ze weer verder. Wij vinden dat heel erg jammer want het was echt heel spannend en de tsjokklad was toch zo lekker. Alle mensen zwaaien de soldaten uit als ze vertrekken. Moeke zegt dat het goed is dat ze weer gaan. Ze moeten naar Duitsland om de oorlog te winnen zodat Vader weer terug kan komen. Maar het is wel erg stil nu de soldaten weg zijn en de winter is koud en we hebben alleen maar strozakken en jassen om te slapen. Het duurt zo lang, wanneer komt Vader dan echt terug?

Foto: Sevens

Ontsnapt aan ‘de Pruus’

In de Tweede Wereldoorlog speelden geluk, wijsheid en durf menigmaal een grote rol. Om aan de ‘Arbeitseinsatz’ te ontkomen verstopte Jacques Frencken uit Panningen zich boven in de ringoven in Panningen. Als zeventienjarige werd hij bij een razzia daar toch opgepakt.

Jacques Frencken als 17-jarige

Jacques Frencken vertelt in 2011, twee jaar voor diens overlijden over een gebeurtenis die op 10 augustus 1944 in Panningen plaats vond:
We schrikken plotseling wakker van geronk van motoren en schreeuwende Duitse commando’s. In minder dan een halve minuut is de steenoven waar we die nacht geslapen hebben omsingeld. Mijn onderduikkammeraad Antoon(1) en ikzelf slapen vaker op de ringoven. We blijven zitten in onze schuilplaats, doodstil en bang. Na bijna een uur blijkbaar vergeefs zoeken door de Duitsers horen we opnieuw commando’s schreeuwen, motoren starten en legerwagens wegrijden. We durven echter nog niet uit onze schuilplaats tevoorschijn te komen.

Plotseling horen we weer Duitse stemmen, vlakbij nu! Er is dus een kleine groep Duitsers achtergebleven die het zoeken hardnekkig voortzet. Na ongeveer een half uur merken we dat een Duitser de loods, waarin wij tussen de stenen verborgen liggen, meter voor meter aan het afzoeken is. We horen hem over de stenen lopen en langzaam maar zeker komt hij dichterbij.
Dan ontdekt hij ons. Hij zegt echter niets maar springt van de opgestapelde stenen af, rent in de richting van zijn legermakkers en we horen hem luidkeels schreeuwen: “Schnell, schnell, kommen sie mal, ich habe zwei gefunden!”

We kijken elkaar verbijsterd aan: “Ze hebben ons te pakken Antoon”, zeg ik, en hij: “We zijn erbij Jacques”. Maar dan, als ik in een impuls, roep ik: “Gauw, er vandoor!!!” En dan in minder dan tien tellen ben ik uit de schuilplaats geklauterd, spring van de stenen naar beneden, ren zonder te kijken om de hoek van de loods heen en verdwijn in het aangrenzende veld. Het door de uitgegraven leem ongelijke terrein biedt mij gelukkig enige beschutting en kruipend weet ik enkele honderden meters ver weg te komen. Als ik even later tegen een talud omhoog moet, spring ik overeind en zet het zigzaggend op een lopen. Ik hoor meteen de Duitsers schreeuwen en diverse kogels worden me achterna gezonden. Ik ken het terrein echter goed en via het huizengroepje ‘Haagveld’ vlucht ik verder richting ‘Hub’.

Plotseling hoor ik een vrachtauto. Dat kunnen alleen maar Duitsers zijn! En jawel, ze proberen me via ene omweg de pas af te snijden. Ik ben echter tijdig een greppel ingedoken en kan na een minuut of wat mijn vlucht vervolgen.

Tenslotte beland ik bij het laatste huis aan de rand van het gehucht, waart een mij bekende familie woont. Ik krijg te drinken want ik sterf van de dorst en haastig worden een paar boterhammen gesmeerd. Daarmee verdwijn ik tussen de dichte struiken achter de kippenhokken. Daar blijf ik enkele uren liggen. Een van de dochters gaat in de namiddag naar Panningen op verkenning uit. Zo krijgen mijn ouders, die denken dat ik door de Duitsers ben meegevoerd, bericht van mijn ontsnapping.

Als ik tegen de avond weer thuis kom, hoor ik bevestigd waar ik bang voor was. Mijn vriend Antoon is door de Duitsers hardhandig op een legerwagen gezet en afgevoerd. Ik heb nadien nooit meer enig levensteken van hem vernomen. Ik krijg ook te horen hoe diezelfde morgen in Panningen twee mannen(2) door de Duitsers op lafhartige wijze op straat zijn neergeschoten!

Het verhaal van Jacques Frencken gaat verder op zondag 8 oktober 1944:
Zondagmorgen. De vroegmis gaat uit. De mensen staan op en verlaten de kerk. Plotseling verwarring en heftig gepraat bij de uitgang. Mensen dringen terug, de kerk weer in. Er wordt geroepen: “De Duitsers hebben de kerk omsingeld!”
Uiteindelijk gaan we toch naar buiten. Alle mannen en jongens van ongeveer 16 tot 60 jaar moeten tussen een rij gewapende Duitse soldaten doorlopen, naar de jongensschool, enkele honderden meters verderop. We worden de klaslokalen ingedreven. We moeten gaan ‘schanzen’ (loopgraven en stellingen graven) in Egchel wordt er gezegd. Gezien de grote Duitse inzet aan manschappen denk ik er het mijne van.
Veel vrouwen en meisjes staan buiten rondom het schoolgebouw, in angstige afwachting van wat er gaat gebeuren met man, broer of vader.

Ik zie Nelly, onze huishoudhulp en stuur haar naar huis om twee wollen dekens, een paar hoge schoenen en gebreide wollen sokken te halen. Na een kwartiertje is ze al terug. Alles is met twee leren kofferriemen makkelijk draagbaar bij elkaar gebundeld. Als me die bundel door het raam wordt aangereikt lacht er iemand en roept: “Kijk die van Frencken daar, die denkt vandaag nog verder te gaan dan wij allemaal…”

Na een poosje moet iedereen weer naar buiten, de straat op om te worden afgevoerd. Als het klaslokaal bijna leeg is zie ik plotseling mijn kans. In de hoek van de klas staat een grote platenkist. Ze is leeg, gelukkig. Ik kruip er vlug in. Iemand helpt me nog het deksel er op te doen. Ik wacht angstig af.. Een poosje later hoor ik hoe een Duitser met zware laarzen de klassen doorloopt, om te controleren of iedereen naar buiten is. Hij ziet de platenkist over het hoofd…
Het duurt niet lang of ik krijg het door het gebrek aan lucht ontzettend benauwd.

Ik klauter eruit, open voorzichtig één van de ramen en gluur naar buiten. Op de hoek van de school staat een Duitse wachtpost, gelukkig met zijn rug naar mij toegekeerd. Ik waag voorzichtig de sprong naar buiten en ren in één ruk de smalle tussengang over naar het patronaatsgebouw (voor de jeugdvereniging) dat vlak naast de school ligt. De achterdeur van de zaalbeheerder is gelukkig open en via de keuken sluip ik de trap op naar boven, naar de zolder van de patronaatszaal, zonder iemand in huis te zien.

Langzamerhand wordt het stiller op straat, ik hoor de meisjes en vrouwen niet meer huilen en roepen. De mannen en jongens zijn nu afgevoerd, de ouderen op legerwagens, de anderen te voet. Ze worden over de Maas gebracht, op de trein gezet en naar Duitsland gedeporteerd als dwangarbeiders in de oorlogsindustrie. Ook in andere kerkdorpen van onze gemeente worden dezelfde morgen overeenkomstige razzia’s gehouden.
Later blijkt dat de Duitsers 856 mannen en jongens van onze gemeente Helden hebben gedeporteerd.

Ik ga nu voorzichtig naar beneden en maak mijn aanwezigheid kenbaar aan de geschrokken vrouw des huizes. Zij is totaal overstuur, want ook haar man is bij de gedeporteerden. De hele verdere zondag blijf ik op de patronaatszolder. ’s Nachts slaap ik op de kamer van een van de kinderen. Omdat er ’s morgens nog steeds veel Duitsers op straat rondlopen ga ik weer terug, de grote donkere zolder op.

Na enkele uren hoor ik weer luid geschreeuw van de Duitsers op straat. Een woonhuis, schuin tegenover de zaal, wordt van boven tot onder helemaal doorzocht. Wat er precies aan de hand is weet ik nog niet. Maar een poosje later komt de vrouw van de zaalhouder huilend naar boven.

Het patronaat, later Zaal Hendrikx aan de Schoolstraat in Panningen

De Duitsers zijn komen zeggen dat iedereen in de buurt zijn woning moet verlaten, want het doorzochte huis zal worden opgeblazen. Als vergeldingsmaatregel, want ze hebben er een ondergedoken verzetsman gevonden. Die wordt afgevoerd naar de bossen aan de rand van het dorp en daar zonder vorm van proces geëxecuteerd. Van deze laffe gruweldaad heb ik echter nog geen weet.

Als ik door het zolderraampje naar buiten gluur, zie ik inderdaad de Duitsers bezig met het naar binnen dragen van munitiekistjes in het bewuste huis. Ik word nog banger dan ik toch al ben.
Over de zolder loopt een houten koker, ongeveer en halve meter boven de vloer voor luchtafzuiging uit de zaal beneden. Om zoveel mogelijk beschut te zijn ga ik daar onder liggen, met mijn opgevouwen overjas over het hoofd ter bescherming.

Het lijkt allemaal een eeuwigheid te duren. Eindelijk hoor ik buiten roepen: “Achtung, Achtung!” De Duitsers maken zich uit de voeten, het is even benauwd stil en dan komt met een geweldige dreun de explosie, alsof er vlakbij een zware bom inslaat. Seconden later het neerkletteren op de zolder van allerlei puin, brokken steen, stukken hout, want door de luchtdruk zijn de dakpannen van de zolder aan een kant gaan schuiven. Maar gelukkig, ik ben ongedeerd. Ik kan nu tussen de weggeschoven dakpannen door naar buiten kijken en zie hoe de voordeur van he opgeblazen huis in de takken van een boom hangt.

Als het ’s avonds eindelijk donker is verlaat ik mijn schuilplaats en sluip aan de achterkant tussen de tuinen door naar het huis van twee ongetrouwde tantes van mij, die verder buiten het centrum wonen. Daar duik ik onder. Bijna zes weken later komt dan eindelijk de langverwachte bevrijding, op 18 november. De gelukkigste dag van mijn leven!!!

1) Antoon Roestenberg
2) Piet Korsten en Jac. Hoebers

Naschrift:
De kaartenkist waarvan sprake is, is te zien in het Streekmuseum Land van Peel en Maas. De patronaatszaal is het voormalige pand van Zaal Hendrix aan de Schoolstraat in Panningen en het opgeblazen huis was het huis van aannemer Verrijth.
De verzetsman in het verhaal was Frans Gerrit Neef.

Sief Frencken cultuurdrager van het Limburgse woord

Het is vandaag, woensdag 23 maart 2022, op de kop af 25 jaar geleden dat de Limburgse taal officieel als streektaal werd geïntroduceerd. Voor de goede orde: Het gaat niet over hèt Limburgs maar over alle dialecten binnen de provinciegrenzen. Mijn grootvader, Sief Frencken, was in de vorige eeuw, dus al lang voor de officiële status die de taal in Nederland kreeg, bezig om het dialect te verspreiden. Dat deed hij niet onverdienstelijk.

Siegfried (kortweg Sief) Frencken (1907-1974) schreef al voor de Tweede Wereldoorlog in het Hèljes plat. Dat hij het schreef als ‘Heldjes plat’ laat zien hoe dat dialect in de loop van de jaren veranderd is. Van de vele gedichten die Sief maakte, werd een bundel gemaakt, Gröts op Eige Taal. De gedichten werden regelmatig in het huis-aan-huisblad ‘Midden-Limburg’ geplaatst. De gedichten haalden ook vaker het ‘Dagblad voor Noord-Limburg’. Auteur Frans Wilms noemt Frencken in een artikel uit 2003 de beste dialectschrijver die Helden ooit gekend heeft.

Frencken was niet de enige Heldenaar die zich bezig hield met het Heldens dialect. Namen als Graad Engels, Leike van Horen, (Meester) Sjeng Peeters en Harrie Brummans (Harie van de Klómp) mogen uiteraard niet ontbreken. De schrijfwijze van de heren was wel niet hetzelfde, de insteek liep echter gelijk.

Naast het dialect konden de tijdgenoten het goed met elkaar vinden. Zo was Leike van Horen samen met Sief Frencken een van de gangmakers om, ter gelegenheid van het 50-jarige jubileum, een nieuw dak te verkrijgen bij de Paters Lazaristen in 1953 en waren Sjeng Peeters en Sief Frencken collega’s op de Jongensschool in Helden-Dorp.

Niet enkel in het dialect dichten, zelfs een lied over Helden, jaren voordat ‘De Bretelboys’ het ‘officieuze’ volkslied van Helden-Dorp brachten, schreef Sief. Het lied kreeg uiteraard de titel ‘Heldje’ en werd van muziek voorzien door zijn schoonbroer Wiel Kranen.

In 2009 kwam het eerste Heldense Woordenboek uit. Ook hierin werd Frencken genoemd als één van de grondleggers van het Heldens dialect.

Ich dink, dèt hae zich op 23 mieërt 1997, prónt 25 jaor geleeje, bej ’t officieel make van de Limburgse taal, toch ein bietje gröts heet gevuld!’

Een gedicht van Sief uit augustus 1954 dat handelt over de erbarmelijke toestand waarin de wegwijzer tegenover Hotel Antiek in Helden-Dorp zich bevond:

De dames Frencken en de hoeden-couture

Schrijver Ton Van Reen heeft een aardige anekdote over Frida en Bertha Frencken, hoedenmodistes uit Panningen: Het is zondagmiddag 18 mei 1952, vijf uur. Het zomert al wat, maar de zon begint al vroeg te dalen. Hij laat zich nog niet gek maken, hij is al over zijn dagelijks kookpunt heen en haakt zich nu, om niet verder weg te zakken naar de horizon, die daar achter de boerderijen van Everlo en Beringe ligt, loom vast aan de spits van de bliksemafleider, boven op de hoge schoorsteen van de steenfabriek. Laat hem daar maar wat hangen, ik heb vandaag nog heel veel te doen.

De dames Frencken komen om de hoek van de Schoolstraat en de Ringovenstraat, bij de tuin van rentenier Sterts Piere, die al zijn hele leven lang teert op zijn aandelen in de twee Heldensche Steenfabrieken. Dat zegt moeder altijd, dat die Piere, Piejeer zegt ze, veel centen heeft gewonnen met niks te doen. Piere die daar in zijn tuin staat, bij zijn roestige kippenhok met Barneveldsche hoenders, die bruine eieren leggen voor de protestantse mensen in Helenaveen. Die eten alleen eieren van Barnevelders.

Van Reen herinnert zich meer: Wat verderop onder zijn perenboom staat een oude vrouw, die misschien zijn vrouw is, maar zeker is dat niet, het kan ook zijn huishoudster zijn. Ze staan nooit bij elkaar maar wel knikken ze allebei naar de dames Frencken die in welstand leven, dankzij hun winkel in stoffen, korsetten, fournituren, knopen en band. De dames knikken beleefd terug. Mensen in goeden doen zijn altijd beleefd voor elkaar.

Elke zondag wandelen de dames Frencken, bij wie je ook flesjes onjeklonje kunt kopen, en elastiek, op kartonnen houder of op rol, speciaal voor in onderbroeken, van de Schoolstraat in Panningen, waar ze naast de kapelaan wonen, aan de ene kant, en aan de andere kant woont de directeur van de cementfabriek, door de Ringovenstraat, naar de Kerkstraat. Om daar bij boer Sjeng Gommans voor de hele week eieren te kopen, en verse groenten. Elke week boerenkool. Tenslotte, het moet wel gezegd zijn, hebben de dames alleen op zondagmiddag vrij, om inkopen te doen, want doordeweeks houden ze alle dagen hun winkel open. En op zondagochtend komen, na de hoogmis, boerinnen uit de Peel, korsetten, directoires en bustehouders passen. En die dan, mee in de mars, als ze toch geld aan het uitgeven zijn, ook nog eens haar- en krulspelden kopen, en schoon wit ondergoed van het merk Jansen en Tilanus. Zo van alles wat. Ook voor hun man.

Ze zien er goed uit, de dames Frencken, met hun hoedjes met pluimen. Geen mannen in huis. Schrijver Ton Van Reen twijfelt of de twee dames zussen waren, maar dat is een vaststaand feit. Naast het feit dat ze bloedverwant zijn, kunnen de dames het goed met elkaar vinden. Dat moet ook wel als ze dagelijks met elkaar optrekken.

Het staat los van het verhaal, want hoe je het ook wendt of keert, zoals ze daar aan komen lopen en vriendelijk groeten naar de mevrouw van de directeur van de steenfabriek, mevrouw knipt de rozen, die hen vriendelijk terug groet.

Ze lijken heel veel op elkaar. Juffrouw Frida, witte blouse met kanten randjes, altijd wat frivool, donkergele rok, is een beetje groter en draagt de eierkorf. Juffrouw Bertha, in een jurk, geheel in Mariablauw, altijd Mariakind gebleven, draagt de zak voor de aardappels en de groenten. Als ze zo arm in arm lopen zou je ze met elkaar kunnen verwisselen. Allebei hetzelfde permanent met krullen, het handwerk van dameskapper Baer Brummans, die ook jongens knipt.

Ze lopen nu voorbij het tasveld van de steenfabriek, met stapels stenen in alle kleuren. Ton herinnert zich dat hij aan de voordeur van hun huis staat te wachten op zijn moeder, die elke zondagmiddag het middaglof en de Mariacongregatie in de kerk bezoekt, waar tot haar vreugde veel liedjes worden gezongen, op volle sterkte, begeleid door orgelklanken. Tot bij van Reen in de straat kun je het lawaai horen.

De dames zitten er goed bij, met hun winkel. Juffrouw Frieda doet de korsetten en bustehouders, alles voor dames en boerinnen, vrouwen zelfs tot ver in de Peel. In dat deel van de winkel, dat met een gordijn kan worden afgesloten, mogen mannen en jongens niet komen. Maar kleine jongens, zoals Ton, die in de oorlog zijn geboren en een groeiachterstand hebben, kunnen van buiten af, onder de gordijnen door, binnen kijken en op zondagmorgen zien ze wel eens de kont van een boerin in een onderbroek met lange pijpjes, met de helpen om de kousen op te houden. Meer niet.

Juffrouw Bertha doet de andere kant van de winkel, de elastiek en de knopen, losse kanten kraagjes voor op meisjesjurken, de haar- en krulspelden. En de ritssluitingen die ze zelf in jongensbroeken kan naaien. Ton van Reen herinnert zich dat dit in zijn broeken zo vast zat dat hij zijn broeken nooit open of dicht kreeg. Spiegeltjes en drukknopen heeft ze ook te koop. En strikken voor in het haar van meisjes, in alle kleuren wit. “De meisjes van bij ons dragen wel eens roze of rode strikken, dat is ordinair, maar dat kan bij ons in de Ringovenstraat niemand wat schelen. Maar op Maria Hemelvaart dragen alle meisjes in het dorp blauwe strikken, omdat blauw de kleur van Maria is”, zo schrijft van Reen.

Als de dames Frencken dichtbij zijn, kun je hen al ruiken. De geur van Parijs. Soir de Paris staat op de kleine blauwe flesjes die ze ook in hun winkel verkopen. En Boldoot, dat is voor boerinnen die niet naar de stal willen ruiken.

‘Dag Frida, dag Bertha,’ zegt de moeder van Ton die net uit het Kerkhofpaadje komt lopen, de hoek bij Duis om, het liedboek onder de arm, zonder hoedje, want met al dat mooie haar heeft zij geen hoedje nodig. “Ik heb jullie gemist in de kerk”, aldus mevrouw Van Reen.
“Dat kan zijn, maar we weten dat u ook voor ons zieleheil bidt, vrouw Van Reen,” zeggen juffrouw Frida en juffrouw Bertha in koor.

“Gaat het al weer een beetje beter met u?” vraagt Bertha. “Wordt het niet eens tijd voor een nieuw korset?” vraagt juffrouw Frida belangstellend.
“We hebben net de nieuwste nylons uit Amerika binnen,” zegt juffrouw Bertha. “Heel kort, tot net boven de knie. U bent nog jong. Ze zullen u heel goed passen.”

Ze gaan elk huns weegs. De moeder van Ton Van Reen loopt door naar de achterdeur, om in de keuken thee te gaan zetten. De dames lopen verder, de Ringovenstraat uit, om op de hoek bij kapper Van Nisselroy de Kerkstraat in te lopen en bij café Al Reijnen een jenevertje te gaan drinken, alvorens bij Sjeng Gommans eieren en groenten en aardappels te gaan kopen. En daarna nog een jenevertje te gaan drinken, of twee, of drie, bij café Al Reijnen, waarna ze soms zingend weer naar huis lopen, zwaar beladen met eieren, groenten en aardappels, maar wel heel vrolijk. Elke week eten ze boerenkool.

De zon heeft ook alles gezien van wat hier op zondagmiddag zo allemaal te doen is. Het is al half vijf. Hij begint de dag zat te worden, tenslotte is het nog maar pas Mei, en zakt verder weg, achter langs de schoorsteen, die hem zelfs met zijn klimbeugels niet meer vast kan houden.

Ton Van Reen herinnert zich: “Ik heb vandaag nog veel te doen, maar ik ga op mijn kont op het stoepje zitten om te kijken hoe de zon beetje bij beetje kleur verliest, en hoe hij heel langzaam zal gaan verdwijnen tot achter de boerderijen in Everlo en Beringe. En wat daar nog allemaal achter ligt. Dat is de hele wereld. Daar moet ik nodig naar toe. Daar ergens ligt Parijs.”

Foto’s: met dank aan Siegfried Frencken, Panningen en De Moennik

Opkomen voor sociaal zwakkeren met de paplepel ingegeven

Op 16 maart kunnen we weer naar de stembus, om voor de gemeenteraadsverkiezingen te stemmen. Politiek en vooral het opkomen voor de zwakkeren in de samenleving kregen we thuis al vroeg mee. Ook het respecteren van de mening van iemand anders kregen we met de paplepel ingegeven.

De oom van mijn grootmoeder, Willem Lenders, was ruim 100 jaar geleden al actief in de lokale politiek. Zou mijn vader het daarvan hebben? Feit is dat mijn vader al sinds 1978 politiek actief is en opkomt voor mensen met een kleine portemonnee.

Op dinsdag 5 september 1978 werd Raf Janssen geïnstalleerd als lid van de gemeenteraad van de gemeente Helden. In eerste instantie kwam hij middels een restzetel in de gemeenteraad voor de PvdA/PPR. Omdat hij een progressievere koers wilde varen zette hij in 1982 HeldenLinks op. Samen met Ann Philipsen kregen ze twee zetels in de gemeenteraad.

Vele artikelen in de regionale krant maar voornamelijk in de huis-aan-huisbladen verschenen na een gemeenteraadsvergadering.

Eind 1986 stopte Raf met de lokale politiek. “Ik heb de taak in de lokale raad altijd heel serieus genomen”, zo zei hij. In de negen jaar dat hij actief was geweest als raadslid kruiste hij vaak met politieke tegenstanders de degens maar speelde nooit op de man. “We hebben de persoonlijke verhoudingen door alles goed weten te houden”, aldus een citaat uit ‘Midden-Limburg van 23 oktober 1986.

Bij het afscheid van toenmalig Burgemeester Jan van ’t Hooft in 1994 werd Janssen nog door de afscheid nemende burgervader aangehaald. “Raf was misschien vaak een oppositionele luis in de collegepels in Helden, maar de mens èn politicus Raf Janssen staat nog steeds bij mij hoog aangeschreven, al waren we het vaak hartgrondig oneens over politieke zaken.”

In 1994 was er even een ‘uitstapje’ naar het Europarlement. Janssen was vanwege zijn landelijke bekendheid gevraagd om op de lijst van GroenLinks te komen staan. Hij hoefde echter niet naar Brussel daar hij niet verkozen werd.

Voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 meldde Raf Janssen zich weer. Samen met Ann Philipsen kregen ze voor GroenLinks twee zetels in de lokale raad van Helden. Eén legislatuur later, trok GroenLinks in de Heldense politiek samen op met de Partij van de Arbeid. Ze maakten deel uit van het college en Janssen werd wethouder, met als aandachtsgebied het sociaal beleid, onderwijs en jeugd.

Na twaalf jaar wethouderschap besloot Janssen een stapje terug te doen en ging weer terug in de raadsbanken. Een campagne volgde waarin Janssen samen met Frits Berben liet zien dat ook humor het goed doet bij de kiezers. Het resultaat was dat PvdA/GroenLinks Peel en Maas met drie zetels in de raad kwam.

En nu in maart is het weer zover. Janssen wil als senior nog een keer meedoen. “We maken ons sterk voor mensen die het iets minder goed hebben”, waar hij zich al meer dan veertig jaar voor inzet.

Verzet vanuit ‘De Keup’ op kerkelijke indeling bij Egchel

De geschiedenis van het kerkdorp Egchel begint pas na de Tweede Wereldoorlog. Voor die tijd behoren de woningen hier tot Helden-Dorp. Diverse huishoudens op ‘de Keup’ waren niet blij toen men bij de kerkelijke indeling bij Egchel werd ingedeeld.

Omdat de moederkerk in Helden moeilijk bereikbaar is voor de huishoudens van Egchel, vanwege de slechte wegen, wilde men een eigen kerk bouwen. Men bracht hiervoor geld bij elkaar en de bevolking van Egchel hielp bij het bouwrijp maken van de grond waarop de kerk gepland was.

Begin 1948 legt de bisschop van Roermond, Mgr Guillaume Lemmens, de eerste steen en in augustus van datzelfde jaar is de kerk al klaar. Ze wordt toegewijd aan St. Jacobus. Dit is een eerbetoon aan kapelaan Jac Naus, die in Egchel geboren is en een belangrijke rol speelde in het verzet tijdens de oorlog. Hij werd in 1944 door de Duitsers gearresteerd en overleed in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

Karakteristiek is het verhaal van Engelbert Zelen (1896-1985), in de volksmond ook ‘Dorrusse Ingel’ genoemd. Hij was getrouwd met Willemina (Mien) Janssen (1908-1991), een zus van mijn grootvader.

Als de Keup door het bisdom bij Egchel wordt ingedeeld is ‘Dorrusse Ingel’ daar faliekant op tegen. Zijn verzet loopt zelfs zo ver op dat hij afreist naar Roermond om bij Bisschop Lemmens te pleiten dat de Keup bij de moederkerk van Dörp moet blijven.
De bisschop ontvangt hem in audiëntie.

Ingel: “Mijnheer de Bisschop, mijn vader ligt in Dörp begraven. Mijn moeder ligt in Dörp begraven. En de ouders van mijn vader en moeder liggen ook in Dörp begraven. Ik wil bij de èchte kerk van Dörp blijven want daar hoor ik thuis.”

De bisschop: “Mijnheer Zelen, we hebben de Keup bij Egchel ingedeeld want de kerk daar is dichterbij dan die van Dörp.”

Ingel vervolgt: “Dat hebt u mis mijnheer de Bisschop. Ik heb het zelf vanaf mijn huis ‘getrèje’ (het aantal stappen geteld, red.). naar Dörp en ook naar Egchel en de kerk van Dörp is echt dichterbij!”

 De Bisschop al hoofdschuddend: “Ik zal voor u bidden mijnheer Zelen.”

Ingel tot slot: “’t Zal neet bate, Biesjop, ’t Zal neet bate!”

In de biografie die in 2008 van Mgr Lemmens verscheen, beschrijft Pierre Bronneberg dat de bisschop een man was die nauwelijks tegenspraak duldde. Engelbert heeft dat blijkbaar aan den lijve moeten ondervinden.

Het tij kan ook anders lopen, want jaren later werd Engelbert Zelen een van de meest trouwe aanhangers van het kerkdorp Egchel. Zoon Harry was zelfs kerkmeester in Egchel. En omdat hij zoveel werk verzette voor de parochie werd hij alom gewaardeerd en noemden de mensen hem ‘hulp-pastoor’. Het kan verkeren…

Foto bouw kerk Egchel: Jos Engels

Heldenaar Will Kranen schreef ‘Och waas ich maar bèj mooder…’

Portret van Will Kranen, geschilderd door diens broer Harry

Will Kranen (1916-1989) uit Helden, een broer van mijn grootmoeder, componeerde in 1959 het ‘wereldberoemde’ Venlose carnavalsliedje ‘Och waas ik maar bèj mooder thoês gebleve’. Kranen kreeg het verzoek van de bekende Venlose liedjesschrijver Thuur Luxembourg. Frans Boermans schreef de tekst. “In die tijd was er nog geen sprake van muziekrechten zoals dat later was; ik kreeg een pakje sigaretten voor de bewezen dienst”, aldus mijn oud-oom in 1981 tijdens zijn afscheid aan de Muziekschool Venlo.

Will woonde vele jaren in Helden waar hij op 1 juli 1916 werd geboren. Hij componeerde vele liedjes maar was ook fervent dirigent van diverse muziekgezelschappen. Het bekendste nummer dat Kranen schreef kreeg voor hem niet de roem die het voor Thuur Luxembourg en Frans Boermans kreeg.

Dochter Mieke Kranen nuanceert het verhaal enigszins: “Bij ons in het gezin was het verhaal uiteraard bekend, maar hoe het exact zat, kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat Thuur Luxembourg en Frans Boermans vaker bij mijn vader kwamen en dat mijn vader wel vaker liedjes componeerde voor derden waarbij hij vervolgens zei: ‘geef me er maar een slof sigaretten voor. Volgens mijn broer Frank is tijdens een van de bezoekjes van Luxembourg en Boermans door dit duo aan Kranen gevraagd een liedje, naar later bleek ‘Och waas ik maar…’ te componeren”, zo herinnert Mieke.

Het was overigens niet de eerste keer dat Will Kranen aan de basis van iets ‘beroemds’ stond. In 1963 pretendeerde een Franse mevrouw dat zij een bepaalde muziekmethode voor kinderen had ‘ontwikkeld’. In Het Limburgs Dagblad van 30 oktober 1963 is te lezen dat deze Franse dame kinderen muziek leerde door vogeltjes op de notenbalk te tekenen. Will Kranen hanteerde deze methode echter al vele jaren. Talloze mensen en organisaties protesteerden tegen de Franse dame, waaronder de Muziekvrienden Venlo. Kranen was geleerd door het gebeuren van ‘och waas ik maar…’ en liet er ditmaal geen gras over groeien en deponeerde zijn methode bij een notaris onder de naam ‘Van kleur tot klank’. Het spel heeft vele jaren bij diverse lagere scholen in het schoolprogramma dienst gedaan als onderwijsmethode.

Tekening: Spotpen.nl

Het was enkele jaren hiervoor dat het verhaal rondom het bekende carnavalsliedje speelde. Venlonaar Sjraar Peetjens die het nummer vele malen zong kwam ook bij Will Kranen over de vloer. “Het verhaal is dat hij het ook jammer vond dat de naam van mijn vader niet bij de ‘credits’ van het liedje stond”, aldus Mieke Kranen.

Dochter Mieke heeft enkele jaren geleden een ingezonden brief naar ‘de Volkskrant’ gestuurd waarin ze aangaf dat haar vader de eigenlijke componist van ‘Och waas ik maar…’ was. “Ik dacht eerst dat ik wel reactie zou krijgen van de families Boermans en Luxembourg maar dat was niet het geval”, zo vertelt Mieke Kranen.

Uiteraard blijft de vraag waar het waarheidsgehalte in het verhaal zit; het is in elk geval niet meer aan de betrokkenen na te vragen, dus zal de waarheid ergens in het midden liggen… Will Kranen overleed in 1989, Frans Boermans in 1999, Luxembourg in 2010 en Sjraar Peetjens in 2019.

In ieder geval staat vast dat het liedje erg bekend werd in Venlo en (verre) omgeving. “Johnny Hoes is uiteindelijk met de eer en de centen gaan strijken”, aldus Will Kranen in 1981. Of Luxembourg, die officieel als componist vermeld staat bij dit nummer, ooit gereageerd heeft op de ‘claim of fame’ aan het adres van Will Kranen, is ook niet te achterhalen.