Op een koude januaridag in 1910 kwam er een stoomtram op gang die kleine Limburgse kernen met elkaar moest verbinden. De lijn Maaseik–Molenbeersel (meter‑spoor, 1000 mm) maakte deel uit van een netwerk van buurtspoorwegen dat landbouwers, markthandel en forenzen een betaalbare verbinding bood met grotere stations en markten. De exploitatie begon onder lokale maatschappijen en viel vanaf 1925 onder de NMVB, de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen.
Route, techniek en dienstregeling
De tramlijn liep vanaf Maaseik richting Molenbeersel en had aansluitingen of doorverbindingen richting Stramproy en Weert; sommige trajectdelen kenden tijdelijke onderbrekingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was een smalspoorlijn met zowel personen‑ als goederendiensten; dienstregelingen uit de jaren 1920–1930 tonen meerdere dagelijkse ritten die landbouwproducten en reizigers bedienden. Lokale haltes lagen dicht bij dorpskernen, zodat ook kleine handelsplaatsen profiteerden.
Leven met de tram: korte bloei, snelle neergang
Voor Molenbeersel betekende de tram een korte periode van verhoogde bereikbaarheid: boeren konden sneller naar markten, scholieren en arbeiders bereikten omliggende plaatsen en kleine handel floreerde. Maar de economische realiteit veranderde snel: de opkomst van autobussen en vrachtwagens, stijgende exploitatiekosten en veranderende vervoerspatronen maakten veel tramlijnen onrendabel. De aftakking Molenbeersel–Stramproy stopte al in 1934 voor passagiers; de hoofdverbinding Maaseik–Molenbeersel werd in 1937 gesloten.
Sporen en bronnen: wat resteert er nu?
Fysieke sporen van de tram zijn schaars: rails werden opgebroken, taluds ingepolderd en haltes verdwenen. Wel bestaan er foto’s en dienstregelingen in lokale archieven en bij tramhistorici die het netwerk documenteerden; een foto uit 1927 illustreert het materieel en de stedelijke haltes op het traject Weert–Maaseik. Voor wie wil reconstrueren: het stadsarchief van Maaseik en gespecialiseerde verzamelingen (NVBS, particuliere tramhistorici) bewaren dienstregelingen, kaarten en foto’s.
Waarom het verhaal van de tram blijft tellen
De tramlijn naar Molenbeersel is een klein hoofdstuk in de grotere transitie van lokaal spoor naar wegvervoer, maar het vertelt veel over hoe platteland en marktstad elkaar bereikten vóór de auto‑economie. De korte levensduur van de lijn (1910–1937) markeert een periode van technologische experimenten en snelle maatschappelijke verandering — een herinnering aan hoe infrastructuur dorpen tijdelijk kon transformeren.
Met dank aan Wim Kusee en Cor Tubée
Foto: Beeldbank GAW 2388 en Heemkundige Kring Kinrooi
Vandaag, dinsdag 31 maart 2026, neemt mijn vader afscheid van de gemeenteraad. Acht periodes lang was hij politiek betrokken, als raadslid en als wethouder. Zijn missie veranderde nooit: opkomen voor de mensen aan de onderkant van de samenleving.
Bart Ebisch van het blad ‘Hallo Kepèl‘ schoof bij hem aan voor een kop thee en maakte een leuk artikel dat zowel online te lezen is als in een printversie.
Je kunt je er niets bij voorstellen, wanneer je de tijd niet meegemaakt hebt, maar vroeger, in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, keken we in de grensregio massaal naar de Duitse televisie. Jong en oud keek naar programma’s zoals Wetten Dass, Tatort, Der Alte en de vele muziekprogramma’s op ARD, ZDF en WDR. Maar ook de jeugd kwam op de TV-zenders van onze Oosterburen flink aan z’n trekken.
Series zoals Hals über Kopf, Neues aus Uhlenbusch, Löwenzahn, Splash, Meister Eder und sein Pumuckl, Ravioli, die Sendung mit der Maus, Robbi, Tobbi und das Fliewatüüt, Die Biene Maja, Heidi en Hallo Spencer waren kijkcijferhits bij de jeugdigen terwijl de iets ouderen dan weer naar Auf Achse keken.
Zelfs naar de nagesynchroniseerde afleveringen van ‘De Zevensprong’ (Das Geheimnis des Siebten Weges) werd massaal gekeken in Nederland.
Wat was de aantrekkingskracht van deze series waarvan er nadien enkelen op de Nederlandse TV te zien waren? We duiken in deze ‘fernseh-geschichte’…
Mijn voorvaderen hebben vroeger lange tijd op de Zandberg in Helden-Dorp gewoond. Het is een heel speurwerk maar ik heb een redelijk goede analyse kunnen maken, waar ze gewoond hebben.
Wilhelmus Janssen
Wilhelmus (1736-1818) en Helena Janssen-Janssen trouwen in 1761 en gaan op de Vosberg in Panningen en even later op ’t Straatje (de huidige Ruysstraat) in Helden-Dorp wonen. In 1781 koopt Wilhelmus (Wilm) een stuk grond op de Zandberg, in de buurt van Dekeshorst, en bouwt er een boerderijtje op.
Archief Helden: ‘1781, Wilm Janssen Stercken op den Sandtbergh neffens Hubert Heijnen Deckershorst waerts voort in de heijde om te betimmeren met een Huijs 7 morgen grond voor 7 stuivers’.
Achternaam Stercken
Je leest hier de achternaam ‘Stercken’, zo heetten mijn voorouders eerst. Deze vermelding is, zo ontdekte mijn oom Piet Janssen, de laatste keer dat Stercken als toegevoegde familienaam wordt gebezigd.
Wilhelmus en Helena krijgen tien kinderen. Het op één na jongste kind, een zoon, wordt geboren op 5 juli 1779. Hij wordt Adolphus genoemd naar de op jonge leeftijd gestorven broer van vader Wilhelmus.
Liefdesgeluk in Gelderland
Zoon Adolphus komt begin 1800 vaak in verdere oorden. Hij verhandelt namelijk samen met enkele andere gemeentegenoten paarden in een brede regio. Vanuit dit oogpunt zoekt hij, in tegenstelling tot al zijn voorvaderen, zijn huwelijksgeluk buiten Helden (dat in die tijd bij het Franse Keizerrijk van Napoleon hoort). Hij trouwt namelijk in 1808 op 29-jarige leeftijd met Gertrudis Voorspoel (alias Voorspoet). Ze trouwen in Loo, een gehucht bij Duiven. Gertrudis is 23 jaar en afkomstig uit het kerkdorp Groessen, gemeente Duiven in het ‘verre’ Gelderland. Duiven en omgeving zijn onderdeel van de Kleefse enclave, behorend bij Pruisen. In het archief van de gemeente Helden is te lezen dat Adolphus actief was in de handel met paarden en hiervoor vaker voor die tijd, ver buiten de regio, ging om handel te drijven.
Gertrudis is in 1801 getrouwd met Johannes ’’t Hullenar, die in 1808 overlijdt, waarna in datzelfde jaar Gertrudis hertrouwt met Adolphus.
Het jonge paar woont de eerste jaren in Groessen en Adolphus noemt zich daar Albertus. Daar wordt op 12 april 1809 hun eerste kind geboren, een dochter. Haar naam is, evenals die van haar moeder, Gertrudis. Vrij snel na de geboorte van Gertrudis verhuist het gezin naar onze streken en wel naar Maasbree. Ze wonen en werken op een boerderijtje in de buurt van het gehucht Tongerlo (dicht bij de gemeentegrens met Helden, bij het tegenwoordige Koningslust).
Hun tweede kind, een zoontje, wordt daar geboren op 29 september 1811. Hij wordt Wilhelmus genoemd naar zijn grootvader die op 8 februari van datzelfde jaar, 1811, op 74-jarige leeftijd is overleden.
Leonardus Janssen de cultivateur
Het derde kind wordt Leonardus genoemd. Dat is onze over-over-overgrootvader. Hij wordt ’s morgens om 04.00 uur op 4 december 1813 geboren. Aldus vermeldt de in het Frans opgestelde geboorteakte van de gemeente ‘Bree’. De Fransen, die in 1811 de Burgerlijke Stand invoerden, waren na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig toen al vertrokken uit onze streken, maar de burgerlijke stand werd gehandhaafd. Als beroep van Vader Albertus wordt ‘cultivateur’ (landbouwer) vermeld.
Omdat Albertus ‘het schrijven niet machtig is’, hoeft hij de geboorteakte niet te ondertekenen. Drie dagen later, op 7 december 1813, wordt Leonardus in de kerk van St. Aldegundis te Maasbree gedoopt. Naderhand krijgen Albertus en Gertrudis nog twee dochters, Maria (1816) en Joanna (1818), ook allebei geboren in Maasbree.
Rond 1820 verhuist het gezin (terug) naar Helden en gaan ze wonen op de ‘Santberg’. In Helden is Albertus nog steeds bekend als Adolphus en zo heeft hij zijn oorspronkelijke naam weer terug. Deze twee gebruikte namen voor één persoon maakten het voor mijn oom Piet niet gemakkelijk om de stamboom uit te zoeken. “Als hij geweten had hoeveel moeite het kostte om erachter te komen dat Adolphus en Albertus één en dezelfde persoon is, had hij het beslist bij één naam gelaten”, zo vertelde oom Piet nadien lachend.
Betovergrootvader
Omstreeks 1820 wonen Adolf en Gertrudis dus op de Zandberg in Helden, terug naar de ‘roots’ van de familie Janssen, alias Stercken. Het adres van de woning van Adolf Janssen is Zandberg 8, in die tijd Zandberg 409. Zo is het ook in de bewoningsgeschiedenis terug te vinden. Gertrudis overlijdt in 1848.
In het bevolkingsregister van 1860 staat de naam van Adolf Janssen niet meer bij het adres Zandberg 409. Dus weer even zoeken op de Zandberg. Het blijkt dat hij eind 1851 is verhuisd naar Zandberg 483, dat is momenteel Zandberg 14. Zoon Leonardus (Naad) koopt daar een boerderijtje waar Adolf inwoont. Het bedrijf van Naad bestaat uit een woning met bouwland en heide, ter grootte van 1 bunder, 74 roeden en 50 ellen (oftewel 1.7450 hectare). Naad en zijn vrouw Elisabeth Nielissen betalen voor de boerderij de lieve som van 310 gulden. Zoon Peter, mijn overgrootvader, wordt hier op 14 februari 1859 geboren.
Bij de telling in 1869 woont het gezin Janssen-Nielissen nog steeds in dezelfde woning, al is het adres intussen Zandberg 530 geworden. In 1890 is dit ook nog het geval. Leonardus Janssen overlijdt in 1899.
Peter Janssen: Alfe-Naate-Piet en Pruis-Piet
In 1910 woont niemand van de familie Janssen nog op dat adres. Overgrootvader Peter (Piet), die op de Zandberg Alfe-Naate-Piet wordt genoemd (= Piet de zoon van Naad die weer de zoon is van Adolf), trouwt in 1891 met Wilhelmina Hesen. Ze gaan ook op de Zandberg wonen, aanvankelijk naast de woning van de ouders van Piet en een jaar later in een boerderij iets verderop. In 1903 sterft Wilhelmina en Piet blijft achter met zes jonge kinderen, waarvan de jongste ook in 1903 overlijdt. In datzelfde jaar verhuist Piet met zijn overgebleven vijf kinderen naar het gehucht ‘Op den Boosch’ tussen Beringe en Grashoek.
Overgrootvader Piet trekt in het gehucht ‘Op den Boosch’ in bij zijn schoonmoeder, de weduwe Martina Hesen-Beurskens, die daar op een boerderijtje woont met haar vijf (nog) ongetrouwde kinderen. In 1905 keert Piet weer terug naar de Zandberg, waar hij op de Veegtes gaat inwonen bij een neef en nicht van zijn overleden vrouw Wilhelmina. In 1906 hertrouwt Piet met Maria Berghs. Ze gaan wonen op ‘De Keup’ in een boerderij die ze gekocht hebben van de ouders van Maria. De vader van Maria wordt Pruis-Naad genoemd en omdat Piet in het huis van Naad gaat wonen wordt hij op de Keup Pruis-Piet genoemd. Uit het huwelijk van Pruis-Piet en Maria worden zes kinderen geboren. In 1918, bij de geboorte van het jongste kind overlijdt Maria. Ten gevolge van de Spaanse griep overlijden in datzelfde jaar ook Sil en Naad, resp. 21 en 19 jaar jong, de twee zonen uit het eerste huwelijk van Piet. Opnieuw blijft Piet alleen achter met de zorg voor zes jonge kinderen. In 1924 hertrouwt Piet met zijn huishoudster, Han Jacobs. In 1935 krijgt Piet een beroerte; hij komt in een rolstoel te zitten en verliest zijn spraakvermogen. Op 4 mei 1940, enkele dagen voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, overlijdt Piet. Hij is dan 81 jaar.
Oorspronkelijk stond een reis die mijn vader en ik samen zouden gaan maken gepland in maart afgelopen jaar maar door een ongelukkige val van mij enkele dagen voor het vertrek moesten we dit uitstellen. Van uitstel kwam geen afstel en na Kerstmis vlogen we alsnog de oceaan over naar Brazilië.
We landden in Recife waar we mijn zus en haar man troffen om samen enkele dagen in Recife en Olinda door te brengen. Vervolgens trokken we naar Fortaleza om vervolgens in het kleine dorp Japuara te verblijven. Hier maakten we het Braziliaanse leven mee.
Ik maakte een videoreportage van deze indrukwekkende reis.
Deze donkere dagen voor Kerstmis kom je nog wel eens iets op het spoor. Struinend in de archieven van Radio Grensland, stuitte ik op de originele tekst van het Radio Grensland Kerstlied, dat medewerker Ali Schöneburg in 1986 componeerde, schreef èn zong.
Bij Radio Grensland presenteerde Ali Schöneburg op vrijdagavond tussen 22.00 uur en middernacht een easy listening programma. Ook presenteerde hij een programma met Duitstalige muziek. Hij viel ook wel eens in voor anderen omdat hij in Molenbeersel woonde en dus snel in de studio was”, zo herinnert Pierre Vervoort van de zender zich.
Grensland-medewerker Ali Schöneburg had al ervaring met muziek voordat hij het Grensland-kerstlied opnam. In 1972 was Schöneburg lied van de Hoarder Cheeks, ze maakten o.a. een single met als titel ‘Call Sacramento’, een jaar later gevolgd door het nummer ‘geh voran’. In 1974 weer een single in het Nederlands met ‘Gezellig zijn, gezellig doen’. Voor die gelegenheid vervingen ze de naam ‘Hoarder Cheeks’ in ‘Toni Arens & Co’. Het gezelschap bestond naast Schöneburg uit Helmut Werner, Klaus Hölter, Peter Prassny, Stefan Domanicki en Hajo Muckel die later vervangen werd door Bernd Conrads.
Weer een jaar later, in 1975 werkte Ali mee aan het album ‘Soldaten für das Sorgenkind’, een album dat in Nederland werd uitgebracht met diverse artiesten waaronder de Hoarder Cheeks, Henk Bernhardt en het Koninklijk Nederlands Trompetterkorps.
Schöneburg zong op dit album het nummer ‘Unchained Melody’ en tevens zong hij samen met de Nederlandse zangeres Rosemarie, onder begeleiding van het schoolkoor van Budel het nummer ‘Das Hab’ Ich Mir Doch Gleich Gedacht’. Alle muziek op het album is jazzy qua stijl. Het werd gemaakt in opdracht van Aktion Sorgenkind, een Duitse liefdadigheidsorganisatie die later bekend werd als Aktion Mensch.
In de jaren negentig werkte Schöneburg als muzieksamensteller voor dressuurpaarden die als onderdeel een kür op muziek rijden. Hij werkte niet voor de minste amazones, zoals o.a. Anky van Grunsven en div. dressuurruiters in binnen- en buitenland. In een artikel in het NRC Handelsblad van 1 augustus 1994 laat hij de verslaggever optekenen dat hij nachten wakker kan liggen van alles rondom de muziek die hij gemaakt heeft, of wel kloppend is. “Mijn vrouw zegt op een bepaald moment dat ik er een streep onder moet zetten”, zo vertelde Schöneburg. Van Grunsven won vele titels mede dankzij de muziek die Ali speciaal voor haar samenstelde.
Ali Schöneburg overleed op 22 september 2021 op 77-jarige leeftijd.
Artikel gaat verder onder de foto
Als het vriest in donkere nacht, En de sneeuw dwarrelt zacht, Bij Grensland. En de DJ draait heel zacht het lied, Van Kerst en Stille Nacht, Bij Grensland. Een grote boom staat in de kamer, Allen zijn we weer tezaam, En buiten staat een sneeuwman, Hij ziet de lichtjes voor ’t raam.
Muziek hier en groetjes daar, Een spelletje voor pa en ma, Met Grensland. Een fijne sfeer hangt in het huis, Ach was is het heerlijk thuis, Met Grensland. Maar mag ik u, beste mensen, Iedereen hier bij elkaar, Een vrolijk Kerstfeest wensen, En een voorspoedig nieuwjaar.
Maar mag ik u, veste mensen, Iedereen hier bij elkaar, Een vrolijk Kerstfeest wensen, En een voorspoedig nieuwjaar.
Foto Ali:Archief Radio Grensland Foto Anky van Grunsven: McSmit – Eigen werk, CC BY-SA 3.0 Met dank aan Pierre Vervoort en de echtgenote van Ali Schöneburg
In het hart van Belgisch-Limburg ligt het dorp Molenbeersel, een plaats die voor buitenstaanders misschien klein lijkt, maar voor haar inwoners een wereld op zich is. Een dorp met een eigen ritme, dialect, tradities en verhalen. Eén van de meest tastbare uitingen van die lokale identiteit is het lied ‘Dat is Molenbeersel’, begin jaren tachtig van de vorige eeuw, uitgevoerd door Piet Wagemakers, een muzikant die zijn leven lang gewijd was aan het vastleggen van de ziel van zijn geboortestreek. Overigens maakte hij het lied niet alleen. Voor de muziek tekende Mietje Loyen en de tekst was van Naardje Laveaux.
Piet Wagemakers
Piet Wagemakers werd geboren op 4 februari 1934 in Molenbeersel en overleed op 13 april 2007 in Maaseik. Hij groeide op in een muzikale familie en ontwikkelde al op jonge leeftijd een passie voor accordeonmuziek.
De ouders van Piet hadden thuis een café en zoals gebruikelijk in die tijd werd er in het café regelmatig accordeon gespeeld. Als klein jongetje keek Piet naar diverse accordeonisten hoe zij hun instrument bespeelden en nam de vingersetting goed op in zijn geheugen. Dit deed hij na zodat hij zichzelf bekwaamde in het spelen van het instrument. Zijn vader liet hem vervolgens regelmatig optreden in zijn café. Piet was toen acht jaar.
Op 12-jarige leeftijd heeft Piet twee jaar les gehad van een pianolerares. Daar heeft hij notenleer gehad. Hierna volgde veel zelfstudie waarna hij zich bekwaamde in het accordeonspel. In de daaropvolgende jaren heeft Piet in verschillende dans- en amusementsorkesten in België en Nederland gespeeld. Met zijn orkest ‘Stardust’ heeft Piet in de jaren zeventig van de vorige eeuw veel in Oss gespeeld.
Zijn stijl was geworteld in de Limburgse volksmuziek, maar hij had ook een brede interesse in wereldmuziek, lichte muziek en dansmelodieën.
Wagemakers was geen beroepsmuzikant in de klassieke zin van het woord, maar hij was een ambachtelijk componist en arrangeur die tientallen nummers schreef en uitvoerde met zijn eigen orkest.
In november 1992 heeft Piet zijn 50-jarig jubileum als accordeonist samen met leerlingen en bevriende accordeonisten gevierd. Hij werd toen uitbundig in de bloemetjes gezet. Zijn muziek werd uitgegeven op vinyl en cd, waaronder het album ‘Hartewens’ in 1995. Hij werkte samen met lokale muzikanten en trad op bij dorpsfeesten, verenigingsavonden en culturele evenementen in Kinrooi en omgeving.
Toen Piet gestopt is met zijn orkest, heeft hij zich extra ingezet om de accordeon te promoten. Hij heeft zelf een aantal nummers gecomponeerd, die nog steeds regelmatig op accordeonfestivals gespeeld worden. In 2002 werd Piet bekroond met een accordeon-award.
Zijn muzikale nalatenschap is bescheiden in omvang, maar rijk aan betekenis. Hij was een culturele bruggenbouwer, iemand die muziek gebruikte om verhalen te vertellen en gemeenschappen te verbinden.
De geboorte van ‘Dat is Molenbeersel’
Het lied ‘Dat is Molenbeersel’ werd gecomponeerd begin jaren tachtig. De tekst werd geschreven door Naardje Laveaux, de muziek was van Mietje Loyen, een lokale dichteres en volkszangeres die bekend stond om haar liefde voor het dialect en de tradities van Kinrooi. Loyen werkte vaker samen met Wagemakers en leverde teksten voor meerdere van zijn composities.
Het lied werd geschreven ter gelegenheid van een radioprogramma van Radio 2 Limburg in Hasselt met Pol Cabus ‘Dorp in de kijker’. Het lied is een ode aan het dorp Molenbeersel, met verwijzingen naar herkenbare plekken, gebruiken en gevoelens. De melodie is eenvoudig maar krachtig, met een volks karakter dat uitnodigt tot meezingen.
De originele opname werd uitgebracht op een 7-inch vinylsingle onder het label H.O. Records, met als A-kant het nummer ‘H.O. Molenbeersel’ en als B-kant ‘Dat is Molenbeersel’. De single werd uitgebracht ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van voetbalclub Hoger Op Molenbeersel en verspreid via lokale verkooppunten en verenigingen, en werd al snel populair in de regio.
Mietje Loyen: Stem van het Limburgse dorpsleven
Hoewel ze geen landelijke bekendheid genoot, speelde Mietje Loyen een belangrijke rol in het bewaren en bezingen van de lokale cultuur. Haar werk weerspiegelt het leven in de dorpen van Belgisch Limburg: eenvoudig, warm, en sterk verbonden met traditie.
Loyen schreef haar teksten vaak in het dialect, waarmee ze niet alleen de taal maar ook het gevoel van verbondenheid met de streek levend hield. Ze was een vrouw van het volk, en haar woorden spraken tot het hart van de gemeenschap.
Door haar samenwerking met Piet Wagemakers kreeg haar werk een muzikaal leven, en werd het onderdeel van de collectieve herinnering van Molenbeersel. In een tijd waarin dialecten en lokale cultuur steeds meer onder druk staan, blijft haar werk een bron van trots en herkenning.
Eerste uitvoering en ontvangst
De eerste publieke uitvoering van ‘Dat is Molenbeersel’ vond plaats tijdens een dorpsfeest in Molenbeersel. Het lied werd gespeeld door het Orkest Piet Wagemakers, met accordeon, blazers en zang. De ontvangst was enthousiast: mensen herkenden hun dorp in de tekst en melodie, en het lied werd al snel beschouwd als een onofficieel volkslied van Molenbeersel.
In de jaren daarna werd het nummer regelmatig gespeeld bij kermissen, processies en religieuze vieringen, feestavonden van verenigingen en meer.
Het lied groeide uit tot een symbool van lokale trots, en werd vaak aangehaald bij gelegenheden waarbij de identiteit van Molenbeersel centraal stond.
Radio Speedway
Lokale zender Radio Speedway uit Molenbeersel is vele jaren haar dag-uitzendingen gestart met het nummer van Wagemakers. Dagelijks startte oprichter Willy Vrinssen de zender even voor 8.00u op, zodat stipt om 8.00u de klanken van ‘Dat is Molenbeersel’ door de ether schalden.
Versies en herinterpretaties
Door de jaren heen zijn er meerdere versies van ‘Dat is Molenbeersel’ verschenen. Eén van de spraakmakende versies werd in 2020 gemaakt. Dirigent Bas Clabbers van Fanfare Sint-Isidorus Molenbeersel schreef een nieuw arrangement op het nummer.
Elke versie draagt bij aan de levendigheid van het lied en toont hoe het zich heeft aangepast aan de tijd, zonder zijn kern te verliezen.
(artikel gaat verder onder de video)
Culturele betekenis
‘Dat is Molenbeersel’ is meer dan een lied, het is een cultureel monument, een muzikaal portret van een dorp dat zijn eigenheid koestert. In een tijd waarin globalisering en digitalisering lokale identiteiten onder druk zetten, biedt dit lied een tegenwicht: het herinnert mensen aan wie ze zijn, waar ze vandaan komen, en wat hen verbindt.
Voor oudere inwoners roept het herinneringen op aan jeugd, feesten en gemeenschapszin. Voor jongere generaties is het een toegangspoort tot het verleden, een manier om hun roots te ontdekken. Het lied wordt nog steeds aangehaald bij lokale evenementen, en is opgenomen in het repertoire van fanfares en koren in Kinrooi.
Slotbeschouwing
Piet Wagemakers heeft met ‘Dat is Molenbeersel’ een blijvend eerbetoon gecreëerd aan zijn geboortedorp. Samen met Mietje Loyen wist hij de essentie van Molenbeersel te vangen in woorden en muziek. Het lied leeft voort in opnames, uitvoeringen en herinneringen, en vormt een brug tussen generaties.
In een wereld die voortdurend verandert, blijft dit lied een baken van herkenning. Het is Molenbeersel—zoals het was, zoals het is, en zoals het altijd zal blijven.
(artikel gaat verder onder de video)
Beelden uit 1997
Waar beek en lossing bloeien, De purperen heide bloeit Waar jolige kinderen stoeien, En weelderig het veldgewas groeit. Waar eendracht, vreed en liefde, De mensen steeds vereent. Daar zijn wij gelukkig te leven, Midden groenende velden en beemd.
Refrein: Dat is Molenbeersel, dorpje aan de grens. Daar rustig te leven is ieders hartenwens. Daarom, Molenbeersel, u blijven we trouw, Heerlijk dorpje klein uit de Kempengouw.
De Manestraat en Groezen, Grootbeersel en de Hei. Op Winkel, de Vlasbrei en de Teunenhoek, De Smeetsstraat, Oud Kevelaer en Broek. En dan uit vroeger jaren Die oude Schansenhoek. Die moest er ons dorpje bewaren, Tegen ieder vijandig gebroed.
Refrein
Fanfaar en schutterijen, Bloeien reeds vijftig jaar. De jeugd, zowel jongens als meisjes, Gaan allen eenparig te saam. En jonge flinke mannen, Als ruiters zeer patent. De voetbal- en accordeonclub Zijn van heinde en verre bekend.
Vanmorgen geschrokken van het nieuwsbericht dat Gerrit Hillen, mijn oud-collega van de radio in Molenbeersel, plotseling is overleden. Gerrit meldde woensdag nog dat hij voedselvergiftiging had en ziek was. Een markant en bijzonder sociaal bewogen man is er niet meer: Gerrit, dich kins dao bove pletjes dreije.
Radio Tivoli
Gerrit was een fervent radiopiraat eind jaren zeventig van de vorige eeuw. Samen met zijn broer Albert zond hij van thuis uit onder de naam Radio Tivoli.
Het illegale radio-avontuur eindigde op zondag 13 april 1980. Toen besloten de broers hun uitzendingen te stoppen naar aanleiding van een inval van de PTT. “We kregen wekelijks vele telefoontjes en brieven van luisteraars uit de verre omgeving. Omdat we voornamelijk Nederlandstalige en Duitstalige muziek draaiden, sloeg dat erg aan”, zo vertelde Gerrit vele jaren later.
De zender werd door broer Albert zelf in elkaar geknutseld. “Thuis waren ze niet zo blij met onze hobby”, aldus Gerrit”, “moeder wist dat hetgeen we deden niet mocht maar toen ze zag hoeveel reacties we kregen ging ze helemaal in het project op!”
Radio Tivoli heeft 25 keer uitgezonden op zondag. “Op een bepaald moment kwam de pastoor van Beringe bij ons vragen of we de uitzending iets later konden beginnen omdat mensen uit de kerk wegbleven”, aldus Gerrit jaren later.
Kennismaking
Ik leerde Gerrit in de jaren tachtig kennen als bevlogen vrijwilliger van de huisomroep van Zorgcentrum De Wietel waar hij langs de kamers ging om verzoekplaatjes op te halen die hij vervolgens in een uitzending die in het huis te horen was, draaide. In 1990 kwam hij weer op mijn pad. Hij was DJ bij Radio Speedway in het Belgische Molenbeersel, waar ik ook actief was. Op vrijdagavond verzorgde hij een programma tussen 19.00 en 21.00u. Gerrit was iemand die de reguliere radioregels aan zijn laars lapte: Niet door gezongen muziek praten, geen interne mededelingen via de radio doen en geen een-op-een-zaken verspreiden. En van Gerrit… kon je het hebben!
Samen rijden
Omdat ik zelf nog geen rijbewijs had en Gerrit vanuit Beringe op vrijdag naar Molenbeersel reed, nam hij me vaak mee. De autoritten waren gezellig, Gerrit kon goed praten en we leerden elkaar goed kennen. Gerrit vertelde onderweg uitgebreid over zijn tijd als radiopiraat in Beringe.
Ook het feit dat hij in het seizoen 1980/1981 prins carnaval van de Beringse Kuus was geworden bleef niet onbesproken.
Wegenbelasting
Het was een keer in de winter dat Gerrit via de radio een mededeling deed. Hij was onderweg een flitser tegengekomen die aan het controleren was of automobilisten hun wegenbelasting betaald hadden. In die tijd kreeg je na betaling een bewijs dat je op de voorruit van de auto kon plakken. Gerrit schroomde niet en meldde via de radio: ‘mensen mochten jullie de wegenbelasting nog niet voldaan hebben en onderweg zijn op de Napoleonsbaan: Onder het viaduct van de oprit naar Roermond toe staat een grijze auto die aan het flitsen is voor de motorrijtuigenbelasting.’ Het resultaat: Op maandag kwam er een melding van een inspecteur van de Belastingdienst dat ze toch niet zo blij waren met de gedane mededeling van ‘ene Gerrit’ op de radio. Wij vonden het grappig en waren gecharmeerd van het feit dat die mensen in de auto onze zender op hadden staan.
Vergeet niet om te draaien
Op een warme zomeravond hoorde ik Gerrit op de radio vaker zeggen ‘ja, draaien’, waarna hij zijn programma weer vervolgde. Ik ging naar hem toe en vroeg hem waarom hij dat ‘ja, draaien’, steeds zei. “Dat doe ik omdat mensen niet te lang op een kant in de zon moeten liggen en niet moeten vergeten zich om de twintig minuten om te draaien”, was het antwoord van Gerrit.
Er zijn vele voorbeelden te noemen over gebeurtenissen die ik met Gerrit heb meegemaakt, de een wat meer spraakmakender dan de ander.
De tijd erna
Het radio-avontuur in België eindigde voor Gerrit in december 1994. Vele jaren later trof ik hem weer in Reuver waar hij was komen wonen. Ik interviewde hem nog eens voor een oldtimerevenement dat hij als fervent liefhebber van de Cadillac organiseerde. In de corona-tijd nam Gerrit het initiatief om muziek voor mensen te draaien om de saamhorigheid te vergroten. Op exact dezelfde wijze als hij ooit radio maakte in Molenbeersel, zo praatte hij nu ook zijn plaatjes aan elkaar via sociale media. Het gevolg: Een steeds groter wordende schare fans wist de uitzendingen te waarderen. Ik sprak hem eind 2023 met het idee een artikel voor historisch tijdschrift ‘De Moennik’ te schrijven over zijn radio-piraterij in Beringe. Gerrit zei dat er niet veel informatie was μmaar wilde meewerken en ging zoeken naar foto’s. Het is echter niet zover gekomen, op vrijdag 1 augustus 2025 kwam het bericht dat Gerrit plotseling was overleden. Een markant, bevlogen en bijzonder sociaal mens is niet meer. Gerrit werd slechts 67 jaar.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden jonge mannen en vrouwen uit door Duitsland bezette gebieden gedwongen om in de nazi-Duitse oorlogseconomie Duitse mannen te vervangen die als soldaten dienden. Een waargebeurd verhaal over een dappere ontsnapping om uit handen van de Duitser te blijven had bij de familie Janssen grote gevolgen.
De Arbeidseinsatz was een vorm van dwangarbeid. Deze werd goed gedocumenteerd maar af en toe mist er iets. Het Nederlandse Rode Kruis (NRK) verzamelde na de oorlog gegevens van de tewerkgestelden. Eén van deze tewerkgestelden was Johannes Hendrikus Janssen. Via Wilhelmus Janssen (1736-1818) is hij familie van me. De geschiedenis van hem gaat niet bepaald over rozen.
In eerste instantie is over Johannes Hendrikus Janssen niet veel te vinden. Onder inventarisnummer 602 is zijn toegang bij nummer 2.19.323 geregistreerd. Eenmaal verder te gaan in deze familiegeschiedenis komt toch het een en ander boven water.
Johannes Hendrikus Janssen
Johannes is het derde kind van Christian Janssen (1883-1973) uit Sevenum en Grada Mulders (1886-1961) uit Druten. Voor hem komen zus Johanna Maria (1911) en broer Theodor (1913). De tweeling Maria en Berdina (1925) is bijna vier jaar jonger. Berdina sterft na vier maanden.
Janssen en de Arbeidseinsatz
Overal in de woonplaats van Janssen, Nijmegen, hangen in 1943 affiches dat mannen die in 1921 geboren zijn, zich voor de Arbeidseinsatz moeten melden. Johannes Hendrikus uit die plaats is geboren op 7 maart 1921 in de Keizerstad.
Op 17 mei 1943 meldt de 22-jarige Janssen zich bij de Districts Arbeidsbeurs. Hij vertrok naar het Duitse Rheinhausen, in de kreis Moers, ruim 80 kilometer van Nijmegen. Hier werd hij als beambte in een fabriekshal bij de Friedrich-Alfred-Hütte tewerk gesteld om spoorwegen te bouwen.
Op 3 maart 1945 werd Rheinhausen bevrijd. De divisie waar Janssen werkte werd diezelfde dag opgeheven, echter Johannes Janssen was verdwenen zo blijkt uit archiefonderzoek. Janssen was weggevlucht van de dwangarbeid. Hij was in soldatenkledij van het Britse leger gevlucht uit Duitsland. Hij was ver weg van Rheinhausen en zat in Cherbourg-en-Cotentin, in het Franse Normandië. Hij was rond oktober 1944 weggevlucht en wilde naar Engeland toe. Maar hij strandde in Normandië. Hier trouwde hij op 15 januari 1945 met de Française Augustine Kollofel (1909-1977) die hij kort daarvoor had leren kennen. Koloffel was een geboren Parisienne die uit een eerder huwelijk (1931-1942) met Jules Hostein uit Parijs een dochter, Marie had. Johannes laat zich op 19 november 1945 officieel uit zijn woonplaats Nijmegen uitschrijven en gaat in het Franse Cherbourg wonen.
Terug naar Nederland
Het echtpaar krijgt op 27 april 1946 een zoon, Jean Christian Augustin Germain Janssen. Lang woont het gezin Janssen-Kollofel niet in Frankrijk, want op 11 december 1948 keren ze terug naar Nijmegen, waar de littekens van de Tweede Wereldoorlog nog zichtbaar zijn. Ze gaan bij de ouders van Johannes, aan de Gorisstraat 61, wonen. Johannes gaat aan de slag als broodbakker, maar vindt dit bij nader inzien toch niet zo’n fijn beroep. Hij werkt vervolgens als chauffeur en niet veel later als onderhoudsmonteur. In 1959 krijgt het echtpaar een eigen woning, aan de Jan de Witstraat 30 in Nijmegen. Men verhuisd nogmaals, in juni 1954 naar een woning op de Rootopstraat 4. In het huwelijk liep het niet goed. Johannes en Augustine scheiden op 26 oktober 1954.
Johannes trouwt vrij snel weer, op 27 mei 1955. Ditmaal met Wilhelmina Schuitema (1911), dochter van de bekende pianostemmer Lodewijk Schuitema die van Amsterdam naar Nijmegen kwam, begin 1900. Wilhelmina is eerder getrouwd geweest met Johan Pieter Pieters (1913) en kreeg vijf kinderen. Maria Anna is snel na de geboorte overleden, Robert Jan (1943), Marianna (1946) en Johan Pieter jr (1951) blijven bij vader Johan Pieter, alleen zoon Wilhelmus (1953) gaat met moeder Wilhelmina mee naar Johannes Janssen. Deze Wilhelmus krijgt vanaf de huwelijksdatum officieel de achternaam Janssen mee.
Het gezin woont nog kort op de Tooropstraat 4 in Nijmegen en verhuisd op 18 juni 1956 naar de Daalseweg 283.
Het huwelijk houdt enkele jaren stand. Op 26 juni 1973 scheiden Johannes en Wilhelmina. Dit vreet erg aan Johannes die diezelfde dag een eind aan zijn leven maakt.
Wilhelmina blijft nog enige jaren met haar zoon Wilhelmus in het huis aan de Daalseweg wonen. In mei 1977 verhuizen ze naar een woning aan de Zilverdenstraat in Nijmegen.
Ex-vrouw Augustins sterft in 1977, de tweede ex-vrouw Wilhelmina in 1981.
Herberg De Swaen van echtpaar Lenders-Geutjens lag dicht bij de kerk in Meijel en was belangrijk in het dorp omdat daar onder meer de vergaderingen van de schepenbank (het gemeentebestuur in vroeger tijden) werden gehouden. Overigens is De Zwaan later (door ene Lenders) naar de Dorpsstraat overgeplaatst en is daar nog, met historische figuren in herinnering, onder andere Zwaansechannes en Lindernella.
Petronella Geutjens, dochter van Anna Cuypers huwt op 8 mei 1751 met de Meijelse herbergier Jan Lenders, woont met hem in ‘Den Swaen’ en wordt op 28 maart 1759 na acht jaar al weduwe tot haar dood in 1979. In hun huwelijk krijgen ze vijf kinderen, onder wie Hendrik (6 februari 1752) en Jan (6 augustus 1759).
Zoon herbergier Hendrik Lenders (raadslid van 1800 tot 1819) woont tot 1787 in Helden en trouwt er met de Heldense Adriana Korsten. De broer van Hendrik, brouwersknecht Jan Lenders, trouwt met Anna Martens.
De twee broers Hendrik en Jan Lenders worden extra gekoppeld als Arnold Lenders, oudste van de negen kinderen van herbergier Hendrik, in 1831 trouwt met zijn 24 jaar jongere nicht Petronella Lenders, dochter van brouwersknecht Jan Lenders. Zij krijgen voor dit huwelijk dispensatie uit Rome.
Als deze Arnold bij zijn geboorte ingeschreven wordt, blijkt dat de oude naam van betovergrootvader Lettiens of Litjens nog steeds gebruikt wordt. Men vermeldt hem in Helden niet als Arnold Lenders maar als ‘Arnold Letten’, bij zijn huwelijk in Meijel trouwens ook. Hij ondertekent de huwelijksakte echter met Lenders evenals zijn broer Willem in 1820. De landbouwer, koopman en herbergier Arnold Lenders is in 1843 eigenaar van het oude familiebezit totaal bijna 58 are. Arnold moet in Meijel gezien zijn als een hereboer, omdat hij een in die tijd ongekend groot grondbezit heeft: naast de genoemde 58 are nog 516 are bouwland, 39 are weiland, 139 are hooiland, 36 are dennenbos en 4 are moeras voor turfsteken in de MortelsePeelken.
Hendrik Adriaan Lenders, op 3 mei 1833 geboren als zoon van Arnold en Petronella Lenders, trouwt met Dorothea Neessen uit Helden en houdt zich steeds meer bezig met ‘boeren. De herbergactiviteiten zijn door de overgrootvader Arnold Cuypers immers al meer dan een eeuw eerder grotendeels verplaatst van de Molenstraat naar de Swaen aan de Kerkstraat. Andere familieleden gaan door met brouwen en bierverkopen, zoals de twee neven Hendrik Adriaan: Jan Adriaan Lenders, zoon van Jan Lenders, als bierbrouwer en gemeenteontvanger en Adriaan, zoon van Leonard Lenders, die de Zwaen verplaatst van de Kerkstraat naar de Dorpstraat in Meijel.