Op een koude januaridag in 1910 kwam er een stoomtram op gang die kleine Limburgse kernen met elkaar moest verbinden. De lijn Maaseik–Molenbeersel (meter‑spoor, 1000 mm) maakte deel uit van een netwerk van buurtspoorwegen dat landbouwers, markthandel en forenzen een betaalbare verbinding bood met grotere stations en markten. De exploitatie begon onder lokale maatschappijen en viel vanaf 1925 onder de NMVB, de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen.
Route, techniek en dienstregeling
De tramlijn liep vanaf Maaseik richting Molenbeersel en had aansluitingen of doorverbindingen richting Stramproy en Weert; sommige trajectdelen kenden tijdelijke onderbrekingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was een smalspoorlijn met zowel personen‑ als goederendiensten; dienstregelingen uit de jaren 1920–1930 tonen meerdere dagelijkse ritten die landbouwproducten en reizigers bedienden. Lokale haltes lagen dicht bij dorpskernen, zodat ook kleine handelsplaatsen profiteerden.
Leven met de tram: korte bloei, snelle neergang
Voor Molenbeersel betekende de tram een korte periode van verhoogde bereikbaarheid: boeren konden sneller naar markten, scholieren en arbeiders bereikten omliggende plaatsen en kleine handel floreerde. Maar de economische realiteit veranderde snel: de opkomst van autobussen en vrachtwagens, stijgende exploitatiekosten en veranderende vervoerspatronen maakten veel tramlijnen onrendabel. De aftakking Molenbeersel–Stramproy stopte al in 1934 voor passagiers; de hoofdverbinding Maaseik–Molenbeersel werd in 1937 gesloten.
Sporen en bronnen: wat resteert er nu?
Fysieke sporen van de tram zijn schaars: rails werden opgebroken, taluds ingepolderd en haltes verdwenen. Wel bestaan er foto’s en dienstregelingen in lokale archieven en bij tramhistorici die het netwerk documenteerden; een foto uit 1927 illustreert het materieel en de stedelijke haltes op het traject Weert–Maaseik. Voor wie wil reconstrueren: het stadsarchief van Maaseik en gespecialiseerde verzamelingen (NVBS, particuliere tramhistorici) bewaren dienstregelingen, kaarten en foto’s.
Waarom het verhaal van de tram blijft tellen
De tramlijn naar Molenbeersel is een klein hoofdstuk in de grotere transitie van lokaal spoor naar wegvervoer, maar het vertelt veel over hoe platteland en marktstad elkaar bereikten vóór de auto‑economie. De korte levensduur van de lijn (1910–1937) markeert een periode van technologische experimenten en snelle maatschappelijke verandering — een herinnering aan hoe infrastructuur dorpen tijdelijk kon transformeren.
Met dank aan Wim Kusee en Cor Tubée
Foto: Beeldbank GAW 2388 en Heemkundige Kring Kinrooi
Deze donkere dagen voor Kerstmis kom je nog wel eens iets op het spoor. Struinend in de archieven van Radio Grensland, stuitte ik op de originele tekst van het Radio Grensland Kerstlied, dat medewerker Ali Schöneburg in 1986 componeerde, schreef èn zong.
Bij Radio Grensland presenteerde Ali Schöneburg op vrijdagavond tussen 22.00 uur en middernacht een easy listening programma. Ook presenteerde hij een programma met Duitstalige muziek. Hij viel ook wel eens in voor anderen omdat hij in Molenbeersel woonde en dus snel in de studio was”, zo herinnert Pierre Vervoort van de zender zich.
Grensland-medewerker Ali Schöneburg had al ervaring met muziek voordat hij het Grensland-kerstlied opnam. In 1972 was Schöneburg lied van de Hoarder Cheeks, ze maakten o.a. een single met als titel ‘Call Sacramento’, een jaar later gevolgd door het nummer ‘geh voran’. In 1974 weer een single in het Nederlands met ‘Gezellig zijn, gezellig doen’. Voor die gelegenheid vervingen ze de naam ‘Hoarder Cheeks’ in ‘Toni Arens & Co’. Het gezelschap bestond naast Schöneburg uit Helmut Werner, Klaus Hölter, Peter Prassny, Stefan Domanicki en Hajo Muckel die later vervangen werd door Bernd Conrads.
Weer een jaar later, in 1975 werkte Ali mee aan het album ‘Soldaten für das Sorgenkind’, een album dat in Nederland werd uitgebracht met diverse artiesten waaronder de Hoarder Cheeks, Henk Bernhardt en het Koninklijk Nederlands Trompetterkorps.
Schöneburg zong op dit album het nummer ‘Unchained Melody’ en tevens zong hij samen met de Nederlandse zangeres Rosemarie, onder begeleiding van het schoolkoor van Budel het nummer ‘Das Hab’ Ich Mir Doch Gleich Gedacht’. Alle muziek op het album is jazzy qua stijl. Het werd gemaakt in opdracht van Aktion Sorgenkind, een Duitse liefdadigheidsorganisatie die later bekend werd als Aktion Mensch.
In de jaren negentig werkte Schöneburg als muzieksamensteller voor dressuurpaarden die als onderdeel een kür op muziek rijden. Hij werkte niet voor de minste amazones, zoals o.a. Anky van Grunsven en div. dressuurruiters in binnen- en buitenland. In een artikel in het NRC Handelsblad van 1 augustus 1994 laat hij de verslaggever optekenen dat hij nachten wakker kan liggen van alles rondom de muziek die hij gemaakt heeft, of wel kloppend is. “Mijn vrouw zegt op een bepaald moment dat ik er een streep onder moet zetten”, zo vertelde Schöneburg. Van Grunsven won vele titels mede dankzij de muziek die Ali speciaal voor haar samenstelde.
Ali Schöneburg overleed op 22 september 2021 op 77-jarige leeftijd.
Artikel gaat verder onder de foto
Als het vriest in donkere nacht, En de sneeuw dwarrelt zacht, Bij Grensland. En de DJ draait heel zacht het lied, Van Kerst en Stille Nacht, Bij Grensland. Een grote boom staat in de kamer, Allen zijn we weer tezaam, En buiten staat een sneeuwman, Hij ziet de lichtjes voor ’t raam.
Muziek hier en groetjes daar, Een spelletje voor pa en ma, Met Grensland. Een fijne sfeer hangt in het huis, Ach was is het heerlijk thuis, Met Grensland. Maar mag ik u, beste mensen, Iedereen hier bij elkaar, Een vrolijk Kerstfeest wensen, En een voorspoedig nieuwjaar.
Maar mag ik u, veste mensen, Iedereen hier bij elkaar, Een vrolijk Kerstfeest wensen, En een voorspoedig nieuwjaar.
Foto Ali:Archief Radio Grensland Foto Anky van Grunsven: McSmit – Eigen werk, CC BY-SA 3.0 Met dank aan Pierre Vervoort en de echtgenote van Ali Schöneburg
In het hart van Belgisch-Limburg ligt het dorp Molenbeersel, een plaats die voor buitenstaanders misschien klein lijkt, maar voor haar inwoners een wereld op zich is. Een dorp met een eigen ritme, dialect, tradities en verhalen. Eén van de meest tastbare uitingen van die lokale identiteit is het lied ‘Dat is Molenbeersel’, begin jaren tachtig van de vorige eeuw, uitgevoerd door Piet Wagemakers, een muzikant die zijn leven lang gewijd was aan het vastleggen van de ziel van zijn geboortestreek. Overigens maakte hij het lied niet alleen. Voor de muziek tekende Mietje Loyen en de tekst was van Naardje Laveaux.
Piet Wagemakers
Piet Wagemakers werd geboren op 4 februari 1934 in Molenbeersel en overleed op 13 april 2007 in Maaseik. Hij groeide op in een muzikale familie en ontwikkelde al op jonge leeftijd een passie voor accordeonmuziek.
De ouders van Piet hadden thuis een café en zoals gebruikelijk in die tijd werd er in het café regelmatig accordeon gespeeld. Als klein jongetje keek Piet naar diverse accordeonisten hoe zij hun instrument bespeelden en nam de vingersetting goed op in zijn geheugen. Dit deed hij na zodat hij zichzelf bekwaamde in het spelen van het instrument. Zijn vader liet hem vervolgens regelmatig optreden in zijn café. Piet was toen acht jaar.
Op 12-jarige leeftijd heeft Piet twee jaar les gehad van een pianolerares. Daar heeft hij notenleer gehad. Hierna volgde veel zelfstudie waarna hij zich bekwaamde in het accordeonspel. In de daaropvolgende jaren heeft Piet in verschillende dans- en amusementsorkesten in België en Nederland gespeeld. Met zijn orkest ‘Stardust’ heeft Piet in de jaren zeventig van de vorige eeuw veel in Oss gespeeld.
Zijn stijl was geworteld in de Limburgse volksmuziek, maar hij had ook een brede interesse in wereldmuziek, lichte muziek en dansmelodieën.
Wagemakers was geen beroepsmuzikant in de klassieke zin van het woord, maar hij was een ambachtelijk componist en arrangeur die tientallen nummers schreef en uitvoerde met zijn eigen orkest.
In november 1992 heeft Piet zijn 50-jarig jubileum als accordeonist samen met leerlingen en bevriende accordeonisten gevierd. Hij werd toen uitbundig in de bloemetjes gezet. Zijn muziek werd uitgegeven op vinyl en cd, waaronder het album ‘Hartewens’ in 1995. Hij werkte samen met lokale muzikanten en trad op bij dorpsfeesten, verenigingsavonden en culturele evenementen in Kinrooi en omgeving.
Toen Piet gestopt is met zijn orkest, heeft hij zich extra ingezet om de accordeon te promoten. Hij heeft zelf een aantal nummers gecomponeerd, die nog steeds regelmatig op accordeonfestivals gespeeld worden. In 2002 werd Piet bekroond met een accordeon-award.
Zijn muzikale nalatenschap is bescheiden in omvang, maar rijk aan betekenis. Hij was een culturele bruggenbouwer, iemand die muziek gebruikte om verhalen te vertellen en gemeenschappen te verbinden.
De geboorte van ‘Dat is Molenbeersel’
Het lied ‘Dat is Molenbeersel’ werd gecomponeerd begin jaren tachtig. De tekst werd geschreven door Naardje Laveaux, de muziek was van Mietje Loyen, een lokale dichteres en volkszangeres die bekend stond om haar liefde voor het dialect en de tradities van Kinrooi. Loyen werkte vaker samen met Wagemakers en leverde teksten voor meerdere van zijn composities.
Het lied werd geschreven ter gelegenheid van een radioprogramma van Radio 2 Limburg in Hasselt met Pol Cabus ‘Dorp in de kijker’. Het lied is een ode aan het dorp Molenbeersel, met verwijzingen naar herkenbare plekken, gebruiken en gevoelens. De melodie is eenvoudig maar krachtig, met een volks karakter dat uitnodigt tot meezingen.
De originele opname werd uitgebracht op een 7-inch vinylsingle onder het label H.O. Records, met als A-kant het nummer ‘H.O. Molenbeersel’ en als B-kant ‘Dat is Molenbeersel’. De single werd uitgebracht ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van voetbalclub Hoger Op Molenbeersel en verspreid via lokale verkooppunten en verenigingen, en werd al snel populair in de regio.
Mietje Loyen: Stem van het Limburgse dorpsleven
Hoewel ze geen landelijke bekendheid genoot, speelde Mietje Loyen een belangrijke rol in het bewaren en bezingen van de lokale cultuur. Haar werk weerspiegelt het leven in de dorpen van Belgisch Limburg: eenvoudig, warm, en sterk verbonden met traditie.
Loyen schreef haar teksten vaak in het dialect, waarmee ze niet alleen de taal maar ook het gevoel van verbondenheid met de streek levend hield. Ze was een vrouw van het volk, en haar woorden spraken tot het hart van de gemeenschap.
Door haar samenwerking met Piet Wagemakers kreeg haar werk een muzikaal leven, en werd het onderdeel van de collectieve herinnering van Molenbeersel. In een tijd waarin dialecten en lokale cultuur steeds meer onder druk staan, blijft haar werk een bron van trots en herkenning.
Eerste uitvoering en ontvangst
De eerste publieke uitvoering van ‘Dat is Molenbeersel’ vond plaats tijdens een dorpsfeest in Molenbeersel. Het lied werd gespeeld door het Orkest Piet Wagemakers, met accordeon, blazers en zang. De ontvangst was enthousiast: mensen herkenden hun dorp in de tekst en melodie, en het lied werd al snel beschouwd als een onofficieel volkslied van Molenbeersel.
In de jaren daarna werd het nummer regelmatig gespeeld bij kermissen, processies en religieuze vieringen, feestavonden van verenigingen en meer.
Het lied groeide uit tot een symbool van lokale trots, en werd vaak aangehaald bij gelegenheden waarbij de identiteit van Molenbeersel centraal stond.
Radio Speedway
Lokale zender Radio Speedway uit Molenbeersel is vele jaren haar dag-uitzendingen gestart met het nummer van Wagemakers. Dagelijks startte oprichter Willy Vrinssen de zender even voor 8.00u op, zodat stipt om 8.00u de klanken van ‘Dat is Molenbeersel’ door de ether schalden.
Versies en herinterpretaties
Door de jaren heen zijn er meerdere versies van ‘Dat is Molenbeersel’ verschenen. Eén van de spraakmakende versies werd in 2020 gemaakt. Dirigent Bas Clabbers van Fanfare Sint-Isidorus Molenbeersel schreef een nieuw arrangement op het nummer.
Elke versie draagt bij aan de levendigheid van het lied en toont hoe het zich heeft aangepast aan de tijd, zonder zijn kern te verliezen.
(artikel gaat verder onder de video)
Culturele betekenis
‘Dat is Molenbeersel’ is meer dan een lied, het is een cultureel monument, een muzikaal portret van een dorp dat zijn eigenheid koestert. In een tijd waarin globalisering en digitalisering lokale identiteiten onder druk zetten, biedt dit lied een tegenwicht: het herinnert mensen aan wie ze zijn, waar ze vandaan komen, en wat hen verbindt.
Voor oudere inwoners roept het herinneringen op aan jeugd, feesten en gemeenschapszin. Voor jongere generaties is het een toegangspoort tot het verleden, een manier om hun roots te ontdekken. Het lied wordt nog steeds aangehaald bij lokale evenementen, en is opgenomen in het repertoire van fanfares en koren in Kinrooi.
Slotbeschouwing
Piet Wagemakers heeft met ‘Dat is Molenbeersel’ een blijvend eerbetoon gecreëerd aan zijn geboortedorp. Samen met Mietje Loyen wist hij de essentie van Molenbeersel te vangen in woorden en muziek. Het lied leeft voort in opnames, uitvoeringen en herinneringen, en vormt een brug tussen generaties.
In een wereld die voortdurend verandert, blijft dit lied een baken van herkenning. Het is Molenbeersel—zoals het was, zoals het is, en zoals het altijd zal blijven.
(artikel gaat verder onder de video)
Beelden uit 1997
Waar beek en lossing bloeien, De purperen heide bloeit Waar jolige kinderen stoeien, En weelderig het veldgewas groeit. Waar eendracht, vreed en liefde, De mensen steeds vereent. Daar zijn wij gelukkig te leven, Midden groenende velden en beemd.
Refrein: Dat is Molenbeersel, dorpje aan de grens. Daar rustig te leven is ieders hartenwens. Daarom, Molenbeersel, u blijven we trouw, Heerlijk dorpje klein uit de Kempengouw.
De Manestraat en Groezen, Grootbeersel en de Hei. Op Winkel, de Vlasbrei en de Teunenhoek, De Smeetsstraat, Oud Kevelaer en Broek. En dan uit vroeger jaren Die oude Schansenhoek. Die moest er ons dorpje bewaren, Tegen ieder vijandig gebroed.
Refrein
Fanfaar en schutterijen, Bloeien reeds vijftig jaar. De jeugd, zowel jongens als meisjes, Gaan allen eenparig te saam. En jonge flinke mannen, Als ruiters zeer patent. De voetbal- en accordeonclub Zijn van heinde en verre bekend.
Dat midden 1700 de grenzen iets anders liepen is bekend, maar dat het dorp van de voorouders van mijn schoonfamilie deels als vrijdorp gold, werd onlangs ontdekt. Het betreft hier de familie Vandael.
Leonardus Vandael, de stamoudste, trouwde op 7 oktober 1761 met Jacomina Wijermans in de kerk van Kessenich-Beersel, zo staat genoteerd in de trouwakte. Het gezin kreeg vijf kinderen, Jan, Theo, Maria, Jacob en Hanna die allen in Neeritter werden geboren.
Ik licht voorvader Theodorus (Theo) Vandael (1776-1851) eruit. Theo werd op 16 augustus 1776 gedoopt.
Samen met zijn echtgenote Elisabeth Coolen (1776-1853) verhuisden ze naar het nabij gelegen Molenbeersel, dat toen nog bestond uit meerdere kleine kernen. Ze gingen op de Smitsstraat wonen.
Via Meulder en moeras naar Molenbeersel
De plaatsnaam Molenbeersel is op te splitsen in drie delen.
– Molen- op de Aa-beek: Hier lag vroeger de boerderij Meulder met een watermolen. De Aa-beek noemt men ook de Molenbeek of de Neer.
– beer- beerst of moerasland.
– sel- is een toevoeging die aanduidt dat het om een bewoonbare plaats of woning gaat.
De lotgevallen van dit landbouw- en woondorp, gelegen tussen Maas en Kempen, zijn niet zo gemakkelijk te schetsen. Haar geschiedenis is sterk verweven met die van het vrijdorp Neeritter, maar ook met die van het vorstendom Thorn en met het land van Kessenich.
Etymologie
De oudste teruggevonden vermelding van het dorp Beersel stamt van 12 mei 1299. Op die dag werd door abdis Jutta van Henneberg van de abdij van Thorn een tweede vergelijk getroffen over de tienden van Haler en ‘Beersele’, twee gehuchten in het abdijvorstendom Thorn. Later worden verschillende schrijfwijzen teruggevonden: Bijersel, Bersell, Biersel, Beersel, Berselle, Beersell, Meulenbeersel, Moelenbeersel, Molen-beersel, Molenbeersel.
Molenbeersel in drie gedeeld
Tot voor tweehonderd jaar was het dorp Molenbeersel nauwelijks bekend, omdat dit als dusdanig nog niet bestond. De verscheidene delen van het huidige Molenbeersel waren toen verdeeld over verschillende gemeenten. Eén gedeelte van Molenbeersel hoorde onder Hunsel, dat op zijn beurt van de Heerlijkheid Kessenich afhing. Nog een gedeelte van Molenbeersel hoorde onder Ittervoort, dat afhing van de abdij van Thorn, en de rest van Molenbeersel behoorde tot het vrijdorp Neeritter. Na 1843, toen Limburg gescheiden was, was Molenbeersel een kleine twee jaar in zijn geheel een onderdeel van Kessenich. Sinds 1845 was Molenbeersel een zelfstandige gemeente en vanaf 1971 werd de gemeente opgenomen in de fusiegemeente Kinrooi.
Vrijdorp Neeritter met twee burgemeesters
Als we de geschiedenis nalopen en zien dat de familie Vandael in Neeritter woonachtig was, is het niet ondenkbaar dat de nieuwe Vandael-gezinnen in het stuk Molenbeersel, behorende bij het vrijdorp Neeritter gingen wonen. Immers naast Theodorus Vandael ging ook diens zus Maria (1780-1846) in Molenbeersel wonen.
Molenbeersel, Neeritter en Manestraat waren drie kernen waar twee burgemeesters actief waren. Deze versnippering werd door de komst van de Fransen in 1794 beëindigd.
Twee vermeldenswaardige feiten zijn dat de grensbepalingen in de jaren 1839 tussen Nederland en België en in 1845, de vorming van een nieuwe Belgische gemeente uit allerlei overgebleven brokstukken bestond: Kessenicher, Beersel, de Manestraat, Groot-Beersel en Winkel.
Eeuwenlang lagen alle bewoonde gebieden kilometersver uit elkaar. Sinds anderhalve eeuw zijn de Molenbeerselaren, mede door de gedwongen en in Londen uitgemaakte grens, naar elkaar toegegroeid.
Bij het zoeken naar de voorouders van mijn vrouw stuitte ik middels de familie Vandael op een opzienbarend feit: In het Belgische dorp Molenbeersel, waar deze familie vandaan komt, was er veel huwelijksdispensatie. De lokale pastoor, ook (ver) familie van mijn echtgenote, Wilhelmus Franciscus Hubertus Princen (1859-1899) had hier een ludieke oplossing voor.
‘Koop een fiets voor uw mannen en stuur ze eropuit’, zo preekte Pastoor Princen in zijn kerk voor de parochianen. Mathijs Royakkers was één van die parochianen. Hij vertelde het aan diens zoon Nelis die het vervolgens aan zijn schoonzoon Toon Verlaak vertelde. En met die Toon Verlaak kwam ik in contact, waardoor ik het verhaal kon optekenen.
Wie was nu die pastoor Princen? Hij werd in Weert geboren op 12 september 1859. Eén van zijn voorvaderen was Matthias Joannes Princen, ook een voorvader van mijn echtgenote. Princen werd op 29 maart 1884 tot priester gewijd in Roermond en werd achtereenvolgens kapelaan in Luik en Tessenderlo totdat hij uiteindelijk op 19 juni 1894 pastoor in Molenbeersel werd. In de Rondstraat in Molenbeersel, naast ‘Reujer’ en achter ‘Ons Huis’ was de kapelanij waar Pastoor Princen woonde. Dit huis werd afgebroken bij het vertrek van kapelaan Donné in 1979.
De komst van Pastoor Princen werd in een dagblad in Stramproy aangekondigd: ‘In het naburig dorp Molen-Beersel heerscht in de laatste dagen eene bedrijvigheid zonder weerga. Het geldt namelijk om de installatie van den nieuwe herder (nl. pastoor Princen) zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Het feest zal a.s. Dinsdag 19 juni plaats hebben; Wij hopen dat het weer gunstig zij.’
In de korte tijd van zijn resterend leven legde Pastoor Princen in Molenbeersel de kiem van de meeste voornoemde verenigingen in die parochie. In Tessenderlo had hij op dat punt een goede leerschool doorlopen bij zijn pastoor Keesen, de latere Monseigneur-senator. Hij was een pragmaticus en zette zich in om het lot van zijn parochianen, meestal landbouwers, te verbeteren. Hij stichtte een boerengilde, twee samenwerkende melkerijen, de Raiffeisenkas, de botermijn van Hasselt, verzekeringen tegen veesterfte en zo meer. Hij stierf op veertigjarige leeftijd op 19 maart 1899. Hij wordt omschreven als hardwerkend en vriendelijk en behulpzaam voor iedereen.
Een verhaal dat iets minder bekendheid heeft is het feit dat deze ‘Don Camilo’ Princen iets wilde doen aan het veelvuldig verlenen van huwelijksdispensatie. Het aanleggen van verharde steenwegen en de opkomst van de fiets speelde zich in de landelijke gebieden af in deze periode, einde 19de begin 20ste eeuw. Er waren blijkbaar enkele gemeenschappen in de buurt met een probleem van inteelt in de eigen gemeenschap met alle gevolgen van dien. . Vooral in de afgelegen gemeenschappen die moeilijk bereikbaar waren speelde gebrekkige mobiliteit een rol. De jaarlijkse kermissen in de dorpen waren de gelegenheden om een passende partner te vinden en als je op een trouwfeest of andere familiegelegenheid aanwezig was, waren daar vooral nichten en achternichten. Ook ondoordacht ‘erfpolitiek’ denken van boeren speelde een rol. Een spottende en harde opmerking hierover bij het trouwen van een meisje met een gevolg van die inteelt en een rijkere boerenzoon in die tijd (citaat van Veus Vangeloven, geboren in 1902 in Molenbeersel ). “Hij trouwde voor de pot maar haalde zich de zot”.
Molenbeersel lag, net als Stramproy, voor die tijd, een stuk van andere plaatsen af. Pastoor Princen kwam echter met een oplossing. In de kerk preekte hij dat vaders voor hun zoons een fiets moesten aanschaffen opdat ze hun huwelijksgeluk verder zouden kunne zoeken en er op die manier minder kans was om met een bloedverwant te trouwen.
Pastoor Princen overleed in Molenbeersel. Op het kerkhof, langs de kerk is zijn graf. Toen hij overleed brachten de bedroefde maar dankbare parochianen geld bij elkaar voor zijn grafsteen. En aan die steen te zien, moet dat, zeker voor die tijd, heel veel geld geweest zijn.