Krieëmers-Letiense jaochtbelèvenisse van Krane Sr.

Graad Engels (1907-1984) was bedreven met de Heldense taal, schreef heel veel. Voor kapper Jac. Kranen (1917-1995) schreef hij in 1980 een verhaal over diens grootvader, mijn betovergrootvader, Bernardus Kranen (1838-1921). Ik neem dit ‘sterk verhaal’, zoals Graad Engels het noemde, letterlijk over.

Jaochtbelèvenisse
Mét ’t geweer onger d’n erm, de weotaos op te rök, en d’n honk vör ‘m oet paterde d’n aoje Krane over de Sjöddelkesweeg over ’t Hazenakker de beus in, öm zien vrouw gèt vör de pot te sjaoffe.

H’e kreeg niks op te korrel tottét ’n dor ’t Sjpoeëkesjtrötjen an de rank van ’t Kééssels veld jennen haas aansjoot.

Dè laog t’r zich neet bei neer, mer gong d’r op dreej puuët tössen oet. Kraon en hongk öm nao; ierst te Keizersbaan over; toe dor ’t Brook over de Riekswaeg ’t Meuleveldj door tot bei Gravenhoof nao de Maas. Al waas ’n dan flink kreupel; hè hij de Kraon en d’n hongk zich t’n aom oet ’t lief laote laupe. Mér nou, an die Maas: ‘Ha ménken, oe bliefs te nou?’ Krane lekde zich al de luppe. Mèr, wat daoch ste? ’t Waas hé wintjer, en de Maas gong mèt ies .

D’n haas sjprong op ’t ies, en doe van sjol op sjol nao d’n Beeselse kankt. Gans van sjtreek sjtong Kranen dao. Öm nao; det koos te jeeger neet; en d’n hongk waogde zich neet. Sjeete waas ömzeus.

Dao opèns zaag Kranen, det ze an d’n Beeselse kangk e sjtök weit an ’t meije woren; en al hij e zich te zieël oet ’t lief gelaupen, hè reep: ‘Hèj, hèj! Haot öm taege!’ Mér ’t waas vergèèfs. Ze huurden ’t neet, of ze woren te sjtom öm vör d’n duuvel te danse.

Krane waas ennen bekwaome sjerpsjötter; en hè hei auch ’n boetegewoeën god geweer. Dao hei’en ’t wel èns over, as ’n d’n boor op trooch mmèt te krieëmerskér. He koos in eine sjeut ’n ganse hèk meusse leeg sjeete!

Over Graad Engels
Graad Engels werd in 1907 te Helden geboren in het gehucht ‘Eyndt’. Tot 1938 was hij werkzaam op de boerderij van zijn vader. Daarna kwam hij in dienst als voorlichter bij de Rijkslandbouwvoorlichting, waar hij kennis van bodem, plant en dier nuttig kon gebruiken en uitbreiden.

Vanwege zijn beroep kwam hij veelvuldig in contact met de boerenbevolking bij wie nog veel van het oude cultuurgoed leefde. Hij raakte geboeid door alles wat met geschiedenis en volkscultuur te maken had. Doordat hij begreep dat veel van wat hij hiervan op het land hoorde en zag verloren ging, begon hij aan zijn notities omtrent gebruiken, volksverhalen, liederen, dialect en oude ambachten. Hij stelde een lijst samen van verdwijnende dialectwoorden, verzamelde verhalen en uitdrukkingen en schreef rapporten over oude ambachten. Zijn bijnaam ‘Culturele Graad’, zal niemand verbazen.

Sinds 1950 was hij medewerker aan het Instituut voor Dialectologie en Volkskunde van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen te Amsterdam en van de Universiteit van Nijmegen.

Na zijn pensionering vond hij de tijd om zijn verzameling notities uit te werken en te ordenen. Een van de resultaten hiervan is een bundel ‘Det dank’tich d’n duvel’.

Graad vond het belangrijk dat zijn volkskundige notities niet verloren gingen en wenste vooral dat de bevolking van de eigen streek kennis blijft nemen van wat haar eigen cultureel erfgoed is.

Naar zijn eigen woorden
Graad Engels sprak bij het verschijnen van diens bundel, ‘Det dank’tich d’n duvel’ in 1977 de woorden: “Het verbaast me telkens hoe levend en rijk onze spreektaal is aan uitdrukkingswijzen. Het is jammer dat velen deze niet meer kennen. Als ik tegenover jongeren in een gesprek, met opzet of toevallig, uit deze woordenschat put, gebeurt het maar al te vaak dat men mij niet verstaat.”

Aandacht voor Helje oos Dörp bij lokale omroep

Bij lokale omroep P&M is deze week aandacht voor de website Helje.online die onlangs de lucht in ging. Het artikel dat bij de lokale omroep bij een nieuwsfilmpje staat lees je hier.

‘Helje Oos Dörp’, het lied over Helden, raakt steeds meer in de vergetelheid. Dat vindt Pieter Janssen, een echte Heldenaar en groot liefhebber van het lied, dat werd geschreven door zijn grootvader. Pieter wil het lied in een nieuw jasje steken.

Schouders eronder
Het nummer werd in 1947 geschreven door zijn grootvader. “Wat er zo speciaal aan is, is dat het nogal een positieve inslag heeft. Met z’n allen de schouders eronder en we maken er het beste van”, zo schetst Pieter de tekst van het Heldense lied. Toch kan hij de tegenhanger van het lied, Sjoën Helje Dörp van de Bretelboys, ook waarderen. “Ook machtig mooi, maar Helje Oos Dörp is net ietsje ouder.”

Brazilië
Het lied is de afgelopen jaren in verschillende hoedanigheden gedraaid, zelfs in het verre buitenland. “Op lagere scholen werd het gerepeteerd, de fanfare speelde het een heel aantal keren en het is gezongen tijdens de installatie van een burgemeester. Het is zelfs in Brazilië gezongen voor een pater”, vertelt Pieter in het Heldens dialect.

Website
Pieter wil dat het lied behouden blijft, ook voor de volgende generaties. Hij heeft daarom een website over Helje Oos Dörp gemaakt: Helje.online. “Het lied is niet meer zo bekend. De mensen van 60 jaar en ouder kennen het lied nog wel, maar daaronder niet. Dat vind ik eeuwig zonde”, zegt Pieter, die een uitvoering van Helje Oos Dörp tijdens een bruiloft in 1958 heeft weten op te rakelen. “De waardering moet er komen om dit lied vereeuwigd te houden, dus daarom ben ik die website begonnen.”

Moderniseren
Inmiddels liggen er plannen klaar om het Heldense lied nieuw leven in te blazen. Als het aan Pieter ligt, moet het vooral wat moderner worden. “Mijn opa schreef Heldje met een D. In Weert spreken ze het ook nog steeds zo uit, maar die D is in de vergetelheid geraakt”, weet hij. En zo zijn er in de authentieke tekst van Helje Oos Dörp nog meer voorbeelden van (enigszins) vervlogen tijden. “Ze hebben het over De Beus en Kouberg. Dat zijn woorden die we anno 2024 eigenlijk niet meer kennen”, aldus Pieter.

Helje oos dörp in dialect-website

Net na de Tweede Wereldoorlog schreef Sief Frencken uit Helden de tekst voor het eerste Heldense volkslied, ‘Heldje oos dörp’, genaamd. Zijn zwager Will Kranen schreef de muziek. Vele jaren werd het lied op diverse gelegenheden in Helden-Dorp gezongen en gespeeld, of het nu was op de lagere school of bij gelegenheden waarbij de Heldense Fanfare ‘Sint Cecilia’ de zangers muzikaal ondersteunde. De wat oudere Heldenaren herkennen het lied meteen, de wat jongere zegt het niets. Het lied is in de vergetelheid geraakt. Vandaar dat een website dit lied een blijvende herinnering moet geven.

Idderein kan ’t dao bevalle
Om aan te tonen dat het goed toeven is in Helden, werd bij de installatie van burgemeester Hoeijmakers in 1964 het lied gezongen. Het lied werd op veel plekken binnen de Dörper gemeenschap gezongen. Bij Jong Nederland in Helden stond het lied vaak op het programma maar ook op de lagere school maakte het onderdeel uit van een lesdag.

Sjoeën Helje-Dörp
“Iedereen kent het lied ‘Sjoeën Helje Dörp’ van De Bretelboys, het lied ‘Heldje oos dörp’ wordt de laatste jaren niet meer gezongen of gespeeld. De wat oudere inwoners van Helden-Dorp kennen het nummer. En om het niet in de vergetelheid te laten komen, wil ik zorgen voor een blijvend iets, vandaar een website over dit eerste Dörper volkslied”, aldus Pieter Janssen die de site geheel in het Hèljes dialect samenstelde. Janssen is een kleinzoon van tekstschrijver Sief Frencken (1907-1974).

Helje.online
De website www.helje.online geeft de tekst van het lied, de muziek, beschrijft de historie en het veranderen van de Hèljese taal maar wist ook de oudste opname van het lied, uit 1958, op te duiken. “Mijn grootvader was altijd met taal bezig. Geschiedenis en taal hebben mijn interesse dus kon dit mooi samengevoegd worden”, zo vertelt Pieter Janssen.
Naast het lied is er op de website ook aandacht voor het Hèljes dialect in een bredere zin en zijn er links naar websites die ook met de Heldense geschiedenis bezig zijn.

In uitgave 80 van ‘De Moennik’, het tijdschrift van Heemkundevereniging Helden is er uitgebreid aandacht voor het eerste Dörper volkslied. Hierin staat ook de gehele tekst van het lied, door Sief Frencken in 1947 geschreven en zijn er enkele anekdotes te lezen.

Meester Frencken en de Pupil

Jacques Frencken is in Beringe bekend onder zijn geuzenaam ‘Meester Frencken’. Als hoofd der school was hij een bekend gezicht in de dorpskern van de voormalige gemeente Helden. Op deze website schreven we eerder over hem, want hij wist in 1944 op opzienbarende wijze aan de Duitsers te ontsnappen en hij was na de Tweede Wereldoorlog samen met zijn broer Harry de úitvinder’ van de ‘Pupil’, een zelfbouwradio, op de markt gebracht door de firma van broer Harry, Maxwell. Over die ‘Pupil’ kwam een filmpje boven water.

In het filmpje is te zien hoe radioamateur Piet Lassche een werkende ‘pupil’ aanbiedt aan de toen 89-jarige Jacques Frencken. De zoon van Jacques, Henk Frencken meldt: “Ik heb het filmpje gemaakt toen mijn vader 89 jaar was, een jaar voor zijn overlijden in 2013.”

Tevens is te zien hoe Jacques Frencken vertelt over een toenmalige radio-uitzending. Daarnaast vertelt Jacques dat de kastjes waar de ‘Pupil’ in zat in Panningen gemaakt werden door een bedrijf die dozen voor sigarenfabrieken maakte, waarin het radiotoestel goed paste.

Er zijn drie generaties Frencken te zien in de film, grootvader Jacques, zoon Henk en kleinzoon Han. Grootvader Jacques geeft in het filmpje nog wat achtergrondinformatie, zo vertelt hij dat Philips op een bepaald moment in de gaten kreeg dat de ‘Pupil’ erg in trek was en een eigen versie maakte, genaamd ‘pionier’.

De ‘Pool’ en de spelling

Nu de vastelaovend achter ons ligt en er weer veelvuldig ‘Heljes’ geschreven is, roept dit altijd vragen op wat nu de èchte juiste spelling is. Natuurlijk, er is het Hèljes woordenboek maar soms blijven zaken discutabel. Mijn grootvader Sief Frencken was bijzonder bedreven in de Hèljese taal en schreef diverse gedichten, liedjes en voordrachten in zijn moederstaal, maar wat is nou goed en wat is ietsje minder goed?

Op 29 november 1947 stuurde een zekere L.C. in Nieuwsblad ‘Midden-Limburg’ dat wekelijks dialect gedichten van mijn grootvader publiceerde, een ingezonden brief.

Als lid van ‘Veldeke’ (vereniging tot instandhouding en bevordering der Limburgse dialecten) verheugde het mij ten zeerste, enige weken geleden in dit weekblad een gedicht aan te treffen in ‘t ‘Heldjes’. Dit is ene gebeurtenis in het bestaan van Midden-Limburg, die maar al te zelden voorkomt. Het zou mij en het bestuur van Veldeke een groot genoegen doen, wanneer er meerdere stukken proza of poëzie in onze dierbare streektaal zouden verschijnen. Vooral daar ‘t ‘Heldjes’ zo goed als niet vertegenwoordigd is in ‘t maandblad van deze vereniging.

Enige opmerkingen moeten mij nochthans van het hart. De schrijver van ‘Ontkroeënde Pool’, heeft herhaalde malen gezondigd tegen de spelling van het dialect. De klanken die hij schrijft geven niet de uitspraak aan, zoals die in ‘t ‘Heldjes’ gehoord wordt. Laat ik hier enige voorbeelden van geven.
Hij schrijft Burgemisjter, terwijl dit moet zijn Börgenèsjter; Durp i.p.v. Dörp en i.p.v. ‘t lilker i.p.v. lèlleker, kestanje i.p.v. kerstaanje, poeul i.p.v. päöl, mit i.p.v. mèt. Verder meen ik een inconsequentie te moeten zien in ‘sjuute’ (met een j) en ‘struuk’ (zonder j).

Indien iemand meent, het hier niet mee eens te zijn, zoeke hij no 96 Aug 1942 van het tijdschrift ‘Veldeke’ op, waarin als bijlage verscheen: ‘aanwijzingen voor de spelling der Limburgse Dialecten’. Hij zal hiermede in meerdere opzichten zijn voordeel kunnen doen.

Nu ik toch over dialect aan ‘t schrijven ben, wil ik ook eens de aandacht vestigen op het volgende verschijnsel. Meerdere personen, vooral de jeugd, helaas ook ouderen, hebben de onnozele gewoonte om, zodra ze een paar keer in Venlo zijn geweest, geen ‘Heldjes’ meer te ‘kallen’, maar Venloos te ‘praote’. Ons goed ‘Heldjes’ is volgens hen schijnbaar maar een inboorlingentaaltje, goed voor ‘kinderen en heikneuters’. Met deze gewoonte maken zij zich zelf belachelijk, vooral als men kan constateren, dat missionarissen, die tientallen jaren in de rimboe hebben gezeten, ‘Heldjes’ spreken van het zuiverste water.
L.C.

Over het gedicht waar ‘L.C.’ over spreekt: Dat lees je hier.
Het spreekt voor zich dat bovenstaand ingezonden stuk voor rekening van de auteur, L.C., is.

Hoe Craenen Kranen werd

Het kan verkeren met namen. Zeker ten tijden dat nog lang niet iedereen kon lezen en schrijven werden regelmatig namen foutief genoteerd daar men veelal fonetisch te werk ging. Zo werd Johannes wel eens Joannes, Peeters Peters en Janssen Jansen. Bij de familie Craenen uit Leveroij gebeurde een gelijksoortig iets.

Mijn grootmoeder heette Kranen, vandaar dat ik in de zoektocht naar mijn voorouders bij een opmerkelijkheid uit kwam.

Mijn betovergrootvader Bernardus Kranen werd op vrijdag 23 maart 1838 om 04.00 uur in Leveroij geboren. Diens vader, Pierre Craenen spoedde zich om 15.00 uur diezelfde dag naar de Burgerlijke Stand van Nederweert, waar Leveroij toen al toe behoorde, om zijn eerst geboren zoon aan te geven. Toenmalig burgemeester Adriaan Willem Vullers noteerde de geboorte.

‘FOETELEN’ MET CIJFERS EN NAMEN
Pierre Craenen kon, net als diens vrouw Johanna (Jeanne) Nijs niet lezen en schrijven. Toch leidde hij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand om de tuin. Toen deze hem vroeg wat zijn naam was, meldde hij zich als Peter Kranen, 34 jaar. Die leeftijd was een dingetje, want het jaar daarvoor, bij zijn wettelijk huwelijk, gaf hij op dat hij toen 35 jaar was.
Craenen werd geboren op 11 mei 1802 en was, toen hij huwde op 28 oktober 1837, 34 jaar. Hij was ‘in zijn 35ste, zoals dat vroeger wel eens gezegd werd, maar of hij dat bedoeld heeft is hoogst onwaarschijnlijk. Vast staat in elk geval dat hij bij de geboorte van Bernardus zich wat jonger voordeed dan hij eigenlijk was. De reden hiervoor zou kunnen duiden op het feit dat de periode tussen het huwelijk van Pierre en Johanna nog geen vijf maanden lag en het echtpaar waarschijnlijk is ‘moeten’ trouwen.

Peter Kranen, die eigenlijk Pierre Craenen heette vertelde diezelfde dag aan burgemeester Vullers dat hij gehuwd was met Johanna Elisabeth Nies, terwijl diens echtgenote officieel Nijs heette. Hij maakte melding van de geboorte van diens zoon, Bernardus, die door spraakverwarring of bewuste keuze dus het geboorteregister van Nederweert, onder nummer 12.071 in aktenummer 64 genoteerd werd als Bernardus Kranen.

Vreemd is het zeker, want vier jaar na de geboorte van Bernardus werd diens broer Joannes geboren, en die werd in de Burgerlijke Stand genoteerd als Craenen.

Minister-President Dries Van Agt bezocht Helden

Zaterdag 23 mei 1981 bezocht minister-president Dries Van Agt de toenmalige gemeente Helden. Insteek waren de verkiezingen van de tweede Kamer, later dat jaar.

Andreas Antonius Maria (Dries) Van Agt (Geldrop, 2 februari 1931) was van 1977 tot 1982 minister-president van Nederland in drie achtereenvolgende kabinetten. Zijn moeder was Anna Godefrida Wilhelmina Sophia (Annie) Frencken, heel ver familie van me. Maar vanwege Annie staat Dries Van Agt wel in mijn stamboom, vandaar ook dit verhaal.

Tijdens zijn bezoek in 1981 bezocht Van Agt onder meer het volleybaltoernooi van Volleybalvereniging Çoncordia’ dat die dag voor de tiende maal haar buitentoernooi op de sportvelden achter het toenmalige Bouwens van der Boije College in Panningen organiseerde.

De voorzitter van de volleybalvereniging, No Smits, overhandigde aan Van Agt een petje met daarop de naam van de volleybalvereniging, dat men voor die gelegenheid ietsje had aangepast. Dit leidde tot een humoristisch tafereel.

Er werd binnen de toenmalige gemeente Helden nog veel over het bezoek gesproken. Raf Janssen merkte lachend in de raadsvergadering van maandag 25 mei 1981 op dat men minister Van Agt de zaterdag daarvoor bij zijn bezoek aan Helden beter langs de school in Grashoek had kunnen loodsen. Het geval wilde dat in die tijd het schoolgebouw van Grashoek onderwerp van gesprek in de regio was vanwege de vele gebreken die het vertoonde. Deze school werd nadien vervangen door een nieuwe school, waarvoor op 28 juni 1985 de eerste spade de grond in ging.

En Dries Van Agt? Ondanks zijn rondleiding door de gemeente Helden door toenmalig burgemeester Jan van ’t Hooft bracht weliswaar een overwinning voor diens partij het CDA waardoor Van Agt weer aan de macht kwam als minister-president met het kabinet Van Agt II; ware het niet dat dit kabinet, met D’66 en PvdA, al binnen één jaar viel. Door het zetelverlies in 1982 van het CDA trok Dries Van Agt zich terug als kandidaat-premier en partijleider en volgde Ruud Lubbers hem op.

Foto’s: Peel en Maas Net

Sjra Frencken: Maak de sjietstraote van Wessem schoon!

‘Maak de sjietstraote van Wessem schoon’. Zo luidde ongeveer de opdracht die Sjra Frencken in 1949 kreeg van Gouverneur Frans Houben bij zijn benoeming als burgermeester van Wessem. Natuurlijk was dat geen eenvoudige opdracht. Eind jaren veertig van de vorige eeuw was Wessem nog herstellende van de oorlog en brak er ook een modernere tijd aan. Van de burgermeester werd verwacht dat in goede banen te leiden.

Op dinsdag 24 oktober vertelt zijn zoon Huub Frencken over zijn onderzoek naar de bestuurscultuur in die tijd. De presentatie begint om 19.30 uur in Café-zaal de Harmonie Wessem (gratis entree).

In het boek ‘Lokaal bestuur in Limburgse dorpen: Sjra Frencken burgemeester in Wessem en Voerendaal 1949-1969’ verkent Huub Frencken hoe zijn vader Sjra functioneerde als burgemeester. Hij doet dat door de dorpen en de tijdgeest te schetsen, de onderlinge verhoudingen tussen de inwoners en de lokale bestuurders te typeren en de rol van het levendige verenigingsleven, van de kerk en van de provincie te beschrijven.

Wessem was in die tijd herstellende van de oorlogsschade. De rol van de katholieke kerk was nog duidelijk aanwezig. De koeienflatsen verdwenen uit de straten doordat de gemeenschappelijke Koeweide werd verkaveld. Het dorp stapte langzaam maar zeker de moderne tijd binnen door de aansluiting op het gas- en waterleidingnetwerk en er verschenen moderne voorzieningen zoals een Groene Kruis-gebouw en verzorgingshuizen.

Tijdens zijn de presentatie op 24 oktober staat Huub Frencken onder andere stil bij deze ontwikkelingen en de rol van het lokale bestuur in de veranderende tijd. Een interessante avond en een fascinerend boek voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Wessem en van ons lokaal bestuur.

Huub Frencken studeerde sociale economie en planologie. Zijn eerste baan vervulde hij bij de Rijksplanologische dienst, waar hij o.a. meewerkte in de staf van de stadsvernieuwer Jan Schaefer en aan de Vierde Nota ruimtelijke ordening. Na deelname aan allerlei projecten bij o.a. de provincie Zuid-Holland is hij gaan werken in Rotterdam, als projectleider en als adviseur van o.a. wethouder Kombrink en burgemeester Opstelten. Na zijn pensionering heeft hij voor Staatsbosbeheer gewerkt aan Radio Kootwijk en adviseerde hij een tiental projecten in ontwikkelingslanden. In zijn woonplaats Leiden houdt hij zich bezig met bewonersparticipatie en met allerlei groene en culturele activiteiten.

Het boek is via deze link te bestellen.

Foto: Huub Frencken

Burgemeester Frenckenstraat in Someren

In Someren is er een Burgemeester Frenckenstraat. Niet zo vreemd, gezien het feit dat Godefridus Marcellus Frencken (1818-1907) van 1840 tot 1904 gedurende ruim 60 jaar burgemeester van Asten is geweest. Godefridus Marcellus Frencken werd geboren als zoon van Johannes Georgius Frencken en Anna Catharina Sauvé. Hij trouwde op 15 mei 1865 in Meijel met Anna Catharina Goossens (1828-1897).

Voor 1929 kende de Burgemeester Frenckenstraat de naam ‘Binnenstraat’ als een weg om binnendoor van de Tramstraat (huidige Prins Bernhardstraat) naar de Nieuwstraat (huidige Emmastraat) te gaan.

In de krant ‘De Zuid-Willemsvaart’ van 5 juli 1929 worden de definitieve namen toegekend aan de straten van Asten en de Burgemeester Frenckenstraat loopt van de winkel van Frans Eijsbouts aan de Prins Bernhardstraat tot de kazerne van de marechaussee aan de Emmastraat. In diezelfde krant van 11 september 1929 wordt nog een voorstel tot wijziging in Frenckenstraat ingediend, dat het echter niet haalt:

In tegenstelling tot de andere straten woonden er in de Burgemeester Frenckenstraat nauwelijks mensen die naast hun beroep afhankelijk waren van het boerenbedrijf. We kunnen dit opmaken uit de lijst met getroffenen door natuurgeweld rond 1740 in het Dorp, waarbij een selectie is gemaakt van de bewoners van de huidige Burgemeester Frenckenstraat:

Asten Rechterlijk Archief 118 folio 170; 29-12-1739:
Specifique lijste ofte memorie geformeert door schepenen en secretaris van Asten volgens het opgeven van de ingesetenen van Asten van soodanige als de ingesetenen van Asten geleeden hebben vant verhagelen van koorn op de 13e july en afwayen van de boekweyt op den 15e augustus 1737 wanneer het koorn en boekweyt rijp was. Alsmede van de menigvuldige swaare regen die gevallen is in de voorschrevene jaare 1737, 1738 en 1739 waardoor de weylanden geheel onder water gestaan hebben en het gras en hoy daardoor veel bedorven en verdronken is geworden door hetwelke veel runtvee en schapen bedorven en gestorven sijn, alsoo deselve op leege en natte weyen haar voedsel hebben moeten haalen, welk verdronken gras en hoy dat bedorven was in de wintertijden hebben moeten eeten. Mitsgaaders vant bevriezen van de boekweyt in desen jaaren 1739, tusschen de 15e en 16e juny allent welke schaade de navolgende ingeseetenen hebben opgegeven en getaxeert onder presentie vant selve ten allen tijde, des gerequireert werdende, met solemneele eede sullen bevestigen soo en gelijk bij of agter ider sijn naam is uytgetrocken en hierna is volgende in het Dorp:

Aldus dese lijste gemaakt en geformeert in voege als vooren volgens het opgeven der ingesetenen onder presentie van eede dat deselve de ongelucken en schaaden gehadt hebben, soo en gelijk agter ider sijnen naam staat aangeteekent en tot een som is getaxeert na ider sijn beste kennis. Wijders verklaaren wij ondergeteekende schepenen van Asten, op den eed ten aanvank van onser bediening gedaan dat de ingesetenen alhier wegens het verhagelen van koorn, afwayen en bevriesen van de boekweyt, sterven van een menigte beesten en schapen, verdrinken van hoy, gras, koorn en andere vrugten als int hooft deeser lijst, seer veelen groote schaade geleeden hebben en vooral in dese jaare, alsoo den ingesetenen alhier den grooten reegen die er is gevallen als anders op sijn best maar eene halve oogst gehadt hebben waardoor deselve buyten staat geraakt sijn om haar verschulde ‘s lants- en dorpslasten te konnen opbrengen en betaalen waardoor de ingesetenen dagelijks veele schaade en executiecosten moeten ondergaan. In teeken der waarheyt hebben wij deese ten prothocolle onderteekent binnen Asten, desen 28 december 1739.

In die tijd stonden er negen huizen in de Burgemeester Frenckenstraat en slechts een bewoner is getroffen door het noodweer, hetgeen betekende dat de meeste bewoners buiten de landbouw hun brood verdienden. In de periode 1739-1796 woonde drossaard Jacobus Losecaat in de straat, van 1800-1810 schout civiel Theodorus Johannes Sengers en later in de periode 1812-1844 burgemeester Jan Georg Frencken. Al met al was het een voor die tijd deftige straat en dat kunnen we ook zien aan de overige inwoners, waaronder rechters, dokters, kooplieden, ambtenaren en fabrikanten:

Vanaf 1675 woonde meester Antony Canters in een huis in de straat dat door vererving is overgegaan naar Godefridus Raeymakers en door diens nazaten verkocht aan Antony Voermans. Zijn dochter Willemijn erft het huis en verkoopt het huis later door aan haar neef Frans Fransen Voermans. Hij had ƒ 2500,- geërfd van zijn vader die koopman was en bouwt in 1788 op die plaats een nieuw huis. Na zijn overlijden verkopen de kinderen in 1817 het huis aan de uit België afkomstige geneesheer Michiel Jacobus Aertnijs, getrouwd met Lucia Sauvé. Bijna tien jaar later wordt het huis verkocht aan de uit Duitsland afkomstige katoenfabrikant David Horn. Na het overlijden van diens nazaten in 1879 is het huis in handen gekomen van dokter Johannes Schreppers. Daarna is het huis in bezit geweest van verschillende eigenaren tot slager Hendrikus van Kemenade het in 1926 koopt.

In een naastgelegen huis woont vanaf 1637 Philips Willems Gosen de Smet en later diens zoon Willem en kleinzoon Aart Willem de Smet. Na diens vroegtijdige overlijden erft zijn 5-jarige dochter Helena het huis en de goederen. Dat is net genoeg om haar te doen opgroeien tot volwassenheid en zij moet het huis dan ook in 1747 verkopen aan drossaard Jacobus Losecaat. Tot zijn overlijden in 1796 heeft hij in het huis gewoond en zijn kinderen verkopen het huis in 1810 aan burgemeester Jan Georg Frencken. Na zijn overlijden in 1871 wonen zijn dochters nog tot 1891 in het huis, dat daarna wordt verkocht aan fabrikant Carolus Johannes Strijbosch.

Door vererving is een huis van de familie Mennen in bezit gekomen van de Arnoldus Jansen Vrients en diens zoon Hendrik Aert Vrients, een familie van kooplieden. Na hun overlijden verkopen de kinderen van Hendrik Aert Vrients het huis in 1759 aan commies van de tol Gerrit Peter van Riet. Na diens overlijden rond 1785 gaat het huis over op zijn neef Jacobus van Riet, die het in 1802 verkoopt aan kleermaker Christiaan Mechernich. Daarna kent het huis verschillende bewoners tot het in 1900 wordt opgekocht door buurman Carolus Johannes Strijbosch die daar een fabriek in wasproducten begint.

Een ander huis aan de Binnenstraat kent de meest vreemde bewoningsgeschiedenis met allerlei goed gearchiveerde echtelijke voorvallen, die in die tijd zeldzaam waren. Rond 1710 woont Willem van Weert en na zijn overlijden in 1733 diens weduwe Hendrina Clemans in het huis. Hendrina Clemans hertrouwt met rijdende commies van de landtol Antony van Riet, maar dat huwelijk houdt door velerlei oorzaken niet lang stand en Antony van Riet wordt uit het huis gezet. In 1748 verkoopt Hendrina Clemans het huis aan landbouwer Willem Willems van den Eerenbeemt en in 1814 wordt het huis door dochter Geertruij doorverkocht aan smid Johannes Nicasi Simonis. Na het overlijden van diens kinderen wordt het huis opgekocht door deurwaarder Hermanus Gerardus Roosen en kent het vele bewoners. Op deze plaats wordt na de Tweede Wereldoorlog de smederij en winkel van de familie van Eersel gevestigd.

Joost Antonius van Weert bewoont vanaf 1705 hier een huis en verkoopt het na het overlijden van zijn twee zoons aan twee kleindochters. Zij verkopen het in 1759 door aan Antoni Fransen Voermans en komt via hun dochter Antonetta in handen van winkelier en schout civiel Theodorus Joannes Sengers. Na zijn overlijden is het huis tot 1860 in handen van zijn kinderen en zij verkopen het aan Johannes Knapen. Daarna komt de familie van onderwijzer Peter Johannes van Driel in het huis wonen en als deze in 1896 naar Vlierden vertrekt, vestigt Antonius Franciscus Berkers er zijn schildersbedrijf, later ook als winkel voor woninginrichting.

Mathias Jansen Cuypers heeft vanaf het einde van de 17e eeuw een huis aan de Binnenstraat bewoond en zijn zoon Joost Tys Kuijpers heeft het huis geërfd. In 1765 verkopen de nog in leven zijnde kinderen van Joost Tys Kuijpers, Mattijs en Dorothea, het huis aan Antoni Jan Nelis. Diens dochter Francisca, getrouwd met schoenmaker Johannes Francis van Hoek, erft het huis en is tot 1835 eigenaar en bewoner. Het huis wordt opgekocht door burgemeester Jan Georg Frencken en hij verhuurt het aan derden. In 1906 komt het in eigendom van schoenfabrikant Leonardus Wilhelmus Gregorius Hoefnagels en in 1920 van bierbrouwer Antonius Hendrikus Leenen. Het huis is dan opnieuw opgebouwd tot twee woningen die beide verhuurd worden.

Dit huis is een erfenis van de eerder genoemde 5-jarige dochter Helena van Aert Willems de Smet. Eenmaal volwassen verkoopt zij het huis aan drossaard Jacobus Losecaat die het in eerste instantie verhuurt aan zadelmaker Antonie Bluijssen, de stamvader van de familie Bluijssen. In 1750 wordt het huis afgebroken en verhuist Antonie Bluijssen via nog wat adressen naar het naastgelegen huis. Ruim 150 jaar later in 1906 bouwt schoenmaker Leonardus Wilhelmus Gregorius Hoefnagels een schoenfabriek, die echter slechts 5 jaar in gebruik is geweest. Daarna is het nog korte tijd een strohulzenfabriek tot het in 1913 wordt verbouwd tot twee huizen. In 1920 wordt het opgekocht door bierbrouwer Antonius Hendrikus Leenen en al die tijd zijn de huizen verhuurd geweest aan derden.

Een huis in bezit van molenaar Walterus Joannes Hoefnagels wordt rond 1725 geërfd door dochter Johanna Maria Hoefnagels en haar tweede echtgenoot Jan Aspers. Omdat het echtpaar onheus wordt bejegend door jongeren, verhuizen zij naar Weert en verhuren het huis aan derden. In 1761 wordt het huis verkocht aan ondervorster Roelof Graaff en via Francis van Hout komt het in 1768 in bezit van zadelmaker Antonij Bluijssen. Zijn zonen Jan en Antoni Bluijssen, verkopen het huis in 1825 aan Leonardus Leenders en zoon Antoni Bluijssen wordt daarna als fabrikant in textiel en zuivel. Het huis kent daarna diverse eigenaren en bewoners totdat in 1873 kleermaker Joannes Linden zich hier vestigt. Zijn zonen wonen tot na de Tweede Wereldoorlog nog in twee huizen op de plaats van het oorspronkelijke huis.

De Burgemeester Frenckenstraat heeft in de 19e en 20e eeuw ook de nodige nijverheid gehad en dit betreft:

*In de periode 1822-1857 de katoenspinnerij van de uit Duitsland afkomstige David Horn wat later rond 1920 de groentedrogerij van de familie Leenen is geworden en vanaf 1923 tot 1960 gebruikt is als opslagruimte voor de gemeente Asten.
*In de periode 1891-1956 de wasblekerij van de Antonie Strijbosch, waar naast waskaarsen ook poetsmiddelen werden vervaardigd.
*In de periode 1906-1911 de schoenenfabriek van Leonardus Wilhelmus Gregorius Hoefnagels, waar later gedurende korte tijd 1911-1912 de eerste strohulzenfabriek van de familie Caron.
*In de periode 1930-1940 de uitbreiding van de koekfabriek van Johannes Paulus Hubertus Hoefnagels waar na de Tweede Wereldoorlog nog de zaad- en mengvoerhandel van Petrus Lambertus van den Burgt en de cartonnagefabriek ‘Het Zuiden’ zijn gevestigd.

En dan de echtelijke kwesties die er zich hebben afgespeeld, het begon met een triootje van Antony van Riet en zijn vrouw is daarna van hem gescheiden, hetgeen in de 18e eeuw zeer ongebruikelijk was. Ook is er in datzelfde huis een voorval waarbij iemand bezwaar aantekent bij de proclamaties voor de ondertrouw voor een huwelijk, iets wat ik in het archief alleen hier ben tegengekomen. Er zijn ruzies op Asten kermis met een slachtoffer die hier woont en tenslotte wonen er nog wachtmeesters in het deel van de marechausseekazerne met de ingang aan de Burgemeester Frenckenstraat die een wildwest achtervolging meemaken.

Die laatste feiten luiden de moderne tijd in en Asten heeft sinds 1917 een elektriciteitsnetwerk en waterleiding. Volgens het artikel linksboven in de krant de Zuid-Willemsvaart van 20-03-1937 verdwijnt de ijzeren paal van het elektriciteitsnetwerk op de hoek van de Burgemeester Frenckenstraat. Rechts een verslag van de gemeenteraad over de verbetering van onder andere de Burgemeester Frenckenstraat in de krant de Zuid-Willemsvaart van 02-11-1940. Linksonder uit diezelfde krant van 04-02-1941 de mededeling van Johannes Verleijsdonk dat de waterlevering omhoog kan worden gebracht.

 

De kadasterkaart en twee topografische kaarten laten van links naar rechts de situatie van de huidige Burgemeester Frenckenstraat in 1832, 1890 en 1930 zien:

       

Geheel linksboven is de protestantse kerk te zien en de Burgemeester Frenckenstraat loopt van daaruit naar rechtsonder. Het stratenpatroon is nagenoeg ongewijzigd en ook de bebouwing is nauwelijks veranderd.

Wat is van dit alles nu nog van terug te zien in de Burgemeester Frenckenstraat? Als we eerlijk zijn is er vooral in de laatste jaren veel verdwenen en opgeofferd aan de vooruitgang. Zelfs het door Jacobus Losecaat aangelegde ‘postpeijke’ naar de Markt is intussen verdwenen. Toch zijn er nog genoeg sporen te vinden van het oude Asten en aan de hand van vergelijking van kaarten wordt in beeld gebracht uit welke tijdsperiode de huidige huizen in de Burgemeester Frenckenstraat stammen.

Linksonder is de kaart van Theo Meulendijks te zien waarin met zwart de huisnummers voor 1800 vergeleken en aangevuld zijn met de kadasternummers van 1832 in blauw. Rechtsonder is op de kaart uit 2017 de huidige situatie weergegeven te zien en zijn de huizen gebouwd tussen 1750 en 1800 paars omcirkeld, tussen 1850 en 1900 groen omcirkeld en die tussen 1900 en 1940 oranje omcirkeld:

   

De gekleurde huizen (groen staat voor cijnsplichtig aan de heer van Asten) betreffen huizen van voor 1800. Waren er rond 1750 nog negen huizen, in 1832 stijgt het tot 12 huizen en die witte woningen zijn een huis, een fabriek en een kazerne.

De katoenspinnerij van David Horn (499), de chemische fabriek Astor van Antonie Strijbosch (78 en 80) en de latere winkels van de familie van Eersel (82 en 424) en Berkers (99) zijn er niet meer. Ook het deel van de marechausseekazerne aan de Burgemeester Frenckenstraat (526), de naoorlogse cartonnagefabriek ‘Het Zuiden’ en de zaad- en mengvoederhandel van Piet van den Burgt zijn verdwenen, evenals de woningen van de kleermakersfamilie Linden (81). Er resten in de Burgemeester Frenckenstraat nog 6 vooroorlogse woningen, waarvan er slechts één uit de 18e eeuw komt.

Hieronder een foto van het begin van de Burgemeester Frenckenstraat op de driesprong met de Prins Bernhardstraat. We zien rechts het voormalige deel van de katoenspinnerij van David Horn, later koloniale winkel van Leenen en daarna bekend als herberg ‘Het eeuwig leven’ aan de Prins Bernhardstraat. Links zien we een vervallen huisje met daarachter het oudste uit 1788 stammende huis van de Burgemeester Frenckenstraat.

En hieronder een foto van de andere zijde van de Burgemeester Frenckenstraat met links de Marechausseekazerne op de hoek met de huidige Emmastraat. Rechts zien we het schildersbedrijf van Antonius Franciscus Berkers:

Alles wat op deze foto staat is inmiddels verdwenen.

Met dank aan Heemkundekring De Vonder

Jo Jaspers, de dappere schilderende huisarts

Soms kom je per toeval iets tegen dat je interesse wekt. Dit gebeurde toen ik de naam Johannes August Hubertus Jaspers (1898-1987) uit Meijel aantrof. Deze Jo Jaspers was huisarts in Geertruidenberg maar werd vooral bekend in de kunstwereld door zijn impressionistische schilderijen. De grootmoeder van Jaspers was Hendrika Lenders (1826-1868) die ver familie van me is.

Jo Jaspers werd op 4 november 1898 als zoon van een graanhandelaar geboren in Meijel. Hij studeerde medicijnen in Amsterdam en begon in zijn studieperiode te schilderen. In het Rijksmuseum in Amsterdam bestudeerde hij vooral de technieken van Van Eijck en Van Gogh. Na zijn studie vestigde hij zich voor een korte tijd als huisarts in Ursum waarna hij in 1929 naar Geertruidenberg kwam. Zijn drukke werkzaamheden als huisarts gunden hem overdag niet veel tijd om te schilderen, schilderen werd nachtwerk.

Huisarts Jo Jaspers schilderde de Geertruidskerk bij de aanvang van de restauratie in 1955.

Jo Jaspers is van verschillende kunstenaarsverenigingen lid geweest. In 1933 werd hij lid van het schildersgenootschap ‘Pictura’ in Dordrecht. In 1934 ging hij over naar het Amsterdamse artiestengenoot-schap ‘St. Lucas’, een vooruitstrevender vereniging. Van dat genootschap ontving hij in 1979, op 81-jarige leeftijd, de Thèrese Schwartz-prijs op grond van zijn verdiensten als kunstschilder. In 1938 werd Jaspers uitgenodigd om lid te worden van de Bredase Kunstkring. Aanvankelijk schilderde Jaspers in de trant van de Haagse School waarbij de donkere tinten overheersten. Latere schilderijen, in het bijzonder die gebaseerd waren op schetsen die hij gemaakt had in Spanje en Italië, zijn lichter, kleuriger en bevatten vlugge impressionistische toetsen. Het penseel werd meer en meer vervangen door het paletmes.

De Oorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) waren de Duitsers de baas in Nederland, ook in Geertruidenberg. Niet iedereen gaf zich zomaar gewonnen aan de Duitsers. Sommige mensen gingen in verzet. Ze drukten stiekem kranten of plakten posters tegen de Duitsers. Ook hielpen ze mensen die zich voor de Duitsers verborgen hielden. Maar als je gepakt werd, hadden de Duitsers geen genade. Dan werd je gevangen genomen, naar een concentratiekamp gestuurd of dood geschoten. Het was dus heel gevaarlijk om in het verzet tegen de Duitsers te gaan. Dokter Jaspers zat in dit verzet. Sterker nog: hij organiseerde het verzet in Geertruidenberg. Niemand mocht van de Duitsers in het donker op straat komen, maar dokter Jaspers zei gewoon dat hij naar een patiënt moest en ging op pad. Natuurlijk ging hij niet naar een zieke, maar naar een bijeenkomst van een verzetsgroep. Hij kon ook gemakkelijker dan gewone mensen van het ene huis naar het andere zonder dat de Duitsers argwaan kregen. Zo kon hij iemand waarschuwen voor naderend gevaar. Of hij kon doen alsof een heel erg zieke patiënt vervoerd moest worden, terwijl het in feite ging om een onderduiker die naar een andere schuilplaats moest. Aan het einde van de oorlog is hij door de Duitsers gevangen genomen, maar wegens gebrek aan bewijs gelukkig snel weer vrij gelaten.

Schilderijen voor bevrijders
Jaspers was een veelzijdig kunstenaar; hij schilderde niet alleen portretten, landschappen en straatjes met olieverf, maar kon ook vaardig met Oost-Indische inkt of potlood een tafereel opzetten en inkleuren met waterverf. Samen met Jan Hubertus en Jacq Stal heeft hij kort na de oorlog een map gemaakt met twaalf grootformaat linoleumsneden die betrekking hebben op de oorlog en de vrijheid. Exemplaren van deze map werden onder andere aangeboden aan koningin Wilhelmina, Dwight Eisenhower, Winston Churchill en andere bevrijders. In 1959 stopte Jaspers met zijn huisartsenpraktijk in Geertruidenberg en verhuisde naar Prinsenbeek, waar hem nog lange tijd gegund werd voor zijn creatieve werk.

De door dokter Jaspers in 1938 ontworpen fontein met kikkers op het Plantsoen.
Bron: foto Ans Spee

Aandenken in Geertruidenberg
Deze dappere dokter heeft een blijvend aandenken in Geertruidenberg gekregen, namelijk een straat die naar hem genoemd is: Dokter Jaspershof. En elke keer als je langs de kikkerfontein op het Plantsoen rijdt, kom je langs een werkstuk van hem. In 1938 ontwierp hij deze fontein, omdat Geertruidenberg toen 725 jaar stadsrechten vierde.

Jaspers overleed in 1987.

Bronnen: o.a. P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars (1750 – 1950), Den Haag, 1969 – 1970, Het Zuiden en Regionaal Archief Tilburg

U kunt de inhoud van deze pagina niet kopiëren