Janssen op de Zandberg

Mijn voorvaderen hebben vroeger lange tijd op de Zandberg in Helden-Dorp gewoond. Het is een heel speurwerk maar ik heb een redelijk goede analyse kunnen maken, waar ze gewoond hebben.

Wilhelmus Janssen
Wilhelmus (1736-1818) en Helena Janssen-Janssen trouwen in 1761 en gaan op de Vosberg in Panningen en even later op ’t Straatje (de huidige Ruysstraat) in Helden-Dorp wonen. In 1781 koopt Wilhelmus (Wilm) een stuk grond op de Zandberg, in de buurt van Dekeshorst, en bouwt er een boerderijtje op.

Archief Helden: ‘1781, Wilm Janssen Stercken op den Sandtbergh neffens Hubert Heijnen Deckershorst waerts voort in de heijde om te betimmeren met een Huijs 7 morgen grond voor 7 stuivers’.

Achternaam Stercken
Je leest hier de achternaam ‘Stercken’, zo heetten mijn voorouders eerst. Deze vermelding is, zo ontdekte mijn oom Piet Janssen, de laatste keer dat Stercken als toegevoegde familienaam wordt gebezigd.

Wilhelmus en Helena krijgen tien kinderen. Het op één na jongste kind, een zoon, wordt geboren op 5 juli 1779. Hij wordt Adolphus genoemd naar de op jonge leeftijd gestorven broer van vader Wilhelmus.

Liefdesgeluk in Gelderland
Zoon Adolphus komt begin 1800 vaak in verdere oorden. Hij verhandelt namelijk samen met enkele andere gemeentegenoten paarden in een brede regio. Vanuit dit oogpunt zoekt hij, in tegenstelling tot al zijn voorvaderen, zijn huwelijksgeluk buiten Helden (dat in die tijd bij het Franse Keizerrijk van Napoleon hoort). Hij trouwt namelijk in 1808 op 29-jarige leeftijd met Gertrudis Voorspoel (alias Voorspoet). Ze trouwen in Loo, een gehucht bij Duiven. Gertrudis is 23 jaar en afkomstig uit het kerkdorp Groessen, gemeente Duiven in het ‘verre’ Gelderland. Duiven en omgeving zijn onderdeel van de Kleefse enclave, behorend bij Pruisen. In het archief van de gemeente Helden is te lezen dat Adolphus actief was in de handel met paarden en hiervoor vaker voor die tijd, ver buiten de regio, ging om handel te drijven.
Gertrudis is in 1801 getrouwd met Johannes ’’t Hullenar, die in 1808 overlijdt, waarna in datzelfde jaar Gertrudis hertrouwt met Adolphus.
Het jonge paar woont de eerste jaren in Groessen en Adolphus noemt zich daar Albertus. Daar wordt op 12 april 1809 hun eerste kind geboren, een dochter. Haar naam is, evenals die van haar moeder, Gertrudis. Vrij snel na de geboorte van Gertrudis verhuist het gezin naar onze streken en wel naar Maasbree. Ze wonen en werken op een boerderijtje in de buurt van het gehucht Tongerlo (dicht bij de gemeentegrens met Helden, bij het tegenwoordige Koningslust).

Hun tweede kind, een zoontje, wordt daar geboren op 29 september 1811. Hij wordt Wilhelmus genoemd naar zijn grootvader die op 8 februari van datzelfde jaar, 1811, op 74-jarige leeftijd is overleden.

Leonardus Janssen de cultivateur
Het derde kind wordt Leonardus genoemd. Dat is onze over-over-overgrootvader. Hij wordt ’s morgens om 04.00 uur op 4 december 1813 geboren. Aldus vermeldt de in het Frans opgestelde geboorteakte van de gemeente ‘Bree’. De Fransen, die in 1811 de Burgerlijke Stand invoerden, waren na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig toen al vertrokken uit onze streken, maar de burgerlijke stand werd gehandhaafd. Als beroep van Vader Albertus wordt ‘cultivateur’ (landbouwer) vermeld.

Omdat Albertus ‘het schrijven niet machtig is’, hoeft hij de geboorteakte niet te ondertekenen. Drie dagen later, op 7 december 1813, wordt Leonardus in de kerk van St. Aldegundis te Maasbree gedoopt. Naderhand krijgen Albertus en Gertrudis nog twee dochters, Maria (1816) en Joanna (1818), ook allebei geboren in Maasbree.

Rond 1820 verhuist het gezin (terug) naar Helden en gaan ze wonen op de ‘Santberg’. In Helden is Albertus nog steeds bekend als Adolphus en zo heeft hij zijn oorspronkelijke naam weer terug. Deze twee gebruikte namen voor één persoon maakten het voor mijn oom Piet niet gemakkelijk om de stamboom uit te zoeken. “Als hij geweten had hoeveel moeite het kostte om erachter te komen dat Adolphus en Albertus één en dezelfde persoon is, had hij het beslist bij één naam gelaten”, zo vertelde oom Piet nadien lachend.

Betovergrootvader
Omstreeks 1820 wonen Adolf en Gertrudis dus op de Zandberg in Helden, terug naar de ‘roots’ van de familie Janssen, alias Stercken. Het adres van de woning van Adolf Janssen is Zandberg 8, in die tijd Zandberg 409. Zo is het ook in de bewoningsgeschiedenis terug te vinden. Gertrudis overlijdt in 1848.

In het bevolkingsregister van 1860 staat de naam van Adolf Janssen niet meer bij het adres Zandberg 409. Dus weer even zoeken op de Zandberg. Het blijkt dat hij eind 1851 is verhuisd naar Zandberg 483, dat is momenteel Zandberg 14. Zoon Leonardus (Naad) koopt daar een boerderijtje waar Adolf inwoont. Het bedrijf van Naad bestaat uit een woning met bouwland en heide, ter grootte van 1 bunder, 74 roeden en 50 ellen (oftewel 1.7450 hectare). Naad en zijn vrouw Elisabeth Nielissen betalen voor de boerderij de lieve som van 310 gulden. Zoon Peter, mijn overgrootvader, wordt hier op 14 februari 1859 geboren.

Bij de telling in 1869 woont het gezin Janssen-Nielissen nog steeds in dezelfde woning, al is het adres intussen Zandberg 530 geworden. In 1890 is dit ook nog het geval. Leonardus Janssen overlijdt in 1899.

Peter Janssen: Alfe-Naate-Piet en Pruis-Piet
In 1910 woont niemand van de familie Janssen nog op dat adres. Overgrootvader Peter (Piet), die op de Zandberg Alfe-Naate-Piet wordt genoemd (= Piet de zoon van Naad die weer de zoon is van Adolf), trouwt in 1891 met Wilhelmina Hesen. Ze gaan ook op de Zandberg wonen, aanvankelijk naast de woning van de ouders van Piet en een jaar later in een boerderij iets verderop. In 1903 sterft Wilhelmina en Piet blijft achter met zes jonge kinderen, waarvan de jongste ook in 1903 overlijdt. In datzelfde jaar verhuist Piet met zijn overgebleven vijf kinderen naar het gehucht ‘Op den Boosch’ tussen Beringe en Grashoek.

Overgrootvader Piet trekt in het gehucht ‘Op den Boosch’ in bij zijn schoonmoeder, de weduwe Martina Hesen-Beurskens, die daar op een boerderijtje woont met haar vijf (nog) ongetrouwde kinderen. In 1905 keert Piet weer terug naar de Zandberg, waar hij op de Veegtes gaat inwonen bij een neef en nicht van zijn overleden vrouw Wilhelmina. In 1906 hertrouwt Piet met Maria Berghs. Ze gaan wonen op ‘De Keup’ in een boerderij die ze gekocht hebben van de ouders van Maria. De vader van Maria wordt Pruis-Naad genoemd en omdat Piet in het huis van Naad gaat wonen wordt hij op de Keup Pruis-Piet genoemd. Uit het huwelijk van Pruis-Piet en Maria worden zes kinderen geboren. In 1918, bij de geboorte van het jongste kind overlijdt Maria. Ten gevolge van de Spaanse griep overlijden in datzelfde jaar ook Sil en Naad, resp. 21 en 19 jaar jong, de twee zonen uit het eerste huwelijk van Piet. Opnieuw blijft Piet alleen achter met de zorg voor zes jonge kinderen. In 1924 hertrouwt Piet met zijn huishoudster, Han Jacobs. In 1935 krijgt Piet een beroerte; hij komt in een rolstoel te zitten en verliest zijn spraakvermogen. Op 4 mei 1940, enkele dagen voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, overlijdt Piet. Hij is dan 81 jaar.

De reis van de Dörper kerkklok

Het verhaal dat de Heldense kerkklok in de Tweede Wereldoorlog aflegde om uiteindelijk weer in Helden terug te komen.

Krieëmers-Letiense jaochtbelèvenisse van Krane Sr.

Graad Engels (1907-1984) was bedreven met de Heldense taal, schreef heel veel. Voor kapper Jac. Kranen (1917-1995) schreef hij in 1980 een verhaal over diens grootvader, mijn betovergrootvader, Bernardus Kranen (1838-1921). Ik neem dit ‘sterk verhaal’, zoals Graad Engels het noemde, letterlijk over.

Jaochtbelèvenisse
Mét ’t geweer onger d’n erm, de weotaos op te rök, en d’n honk vör ‘m oet paterde d’n aoje Krane over de Sjöddelkesweeg over ’t Hazenakker de beus in, öm zien vrouw gèt vör de pot te sjaoffe.

H’e kreeg niks op te korrel tottét ’n dor ’t Sjpoeëkesjtrötjen an de rank van ’t Kééssels veld jennen haas aansjoot.

Dè laog t’r zich neet bei neer, mer gong d’r op dreej puuët tössen oet. Kraon en hongk öm nao; ierst te Keizersbaan over; toe dor ’t Brook over de Riekswaeg ’t Meuleveldj door tot bei Gravenhoof nao de Maas. Al waas ’n dan flink kreupel; hè hij de Kraon en d’n hongk zich t’n aom oet ’t lief laote laupe. Mér nou, an die Maas: ‘Ha ménken, oe bliefs te nou?’ Krane lekde zich al de luppe. Mèr, wat daoch ste? ’t Waas hé wintjer, en de Maas gong mèt ies .

D’n haas sjprong op ’t ies, en doe van sjol op sjol nao d’n Beeselse kankt. Gans van sjtreek sjtong Kranen dao. Öm nao; det koos te jeeger neet; en d’n hongk waogde zich neet. Sjeete waas ömzeus.

Dao opèns zaag Kranen, det ze an d’n Beeselse kangk e sjtök weit an ’t meije woren; en al hij e zich te zieël oet ’t lief gelaupen, hè reep: ‘Hèj, hèj! Haot öm taege!’ Mér ’t waas vergèèfs. Ze huurden ’t neet, of ze woren te sjtom öm vör d’n duuvel te danse.

Krane waas ennen bekwaome sjerpsjötter; en hè hei auch ’n boetegewoeën god geweer. Dao hei’en ’t wel èns over, as ’n d’n boor op trooch mmèt te krieëmerskér. He koos in eine sjeut ’n ganse hèk meusse leeg sjeete!

Over Graad Engels
Graad Engels werd in 1907 te Helden geboren in het gehucht ‘Eyndt’. Tot 1938 was hij werkzaam op de boerderij van zijn vader. Daarna kwam hij in dienst als voorlichter bij de Rijkslandbouwvoorlichting, waar hij kennis van bodem, plant en dier nuttig kon gebruiken en uitbreiden.

Vanwege zijn beroep kwam hij veelvuldig in contact met de boerenbevolking bij wie nog veel van het oude cultuurgoed leefde. Hij raakte geboeid door alles wat met geschiedenis en volkscultuur te maken had. Doordat hij begreep dat veel van wat hij hiervan op het land hoorde en zag verloren ging, begon hij aan zijn notities omtrent gebruiken, volksverhalen, liederen, dialect en oude ambachten. Hij stelde een lijst samen van verdwijnende dialectwoorden, verzamelde verhalen en uitdrukkingen en schreef rapporten over oude ambachten. Zijn bijnaam ‘Culturele Graad’, zal niemand verbazen.

Sinds 1950 was hij medewerker aan het Instituut voor Dialectologie en Volkskunde van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen te Amsterdam en van de Universiteit van Nijmegen.

Na zijn pensionering vond hij de tijd om zijn verzameling notities uit te werken en te ordenen. Een van de resultaten hiervan is een bundel ‘Det dank’tich d’n duvel’.

Graad vond het belangrijk dat zijn volkskundige notities niet verloren gingen en wenste vooral dat de bevolking van de eigen streek kennis blijft nemen van wat haar eigen cultureel erfgoed is.

Naar zijn eigen woorden
Graad Engels sprak bij het verschijnen van diens bundel, ‘Det dank’tich d’n duvel’ in 1977 de woorden: “Het verbaast me telkens hoe levend en rijk onze spreektaal is aan uitdrukkingswijzen. Het is jammer dat velen deze niet meer kennen. Als ik tegenover jongeren in een gesprek, met opzet of toevallig, uit deze woordenschat put, gebeurt het maar al te vaak dat men mij niet verstaat.”

Een Dörper klokje luidt nog altijd in Brazilië

De wat oudere lezers kunnen zich het oude Raadhuis van Helden-Dorp nog wel voor de geest halen. Personen van de generatie van deze auteur, moeten het hebben van foto’s of verhalen. In Fortaleza is echter een attribuut afkomstig van dit Dörper raadhuis dat er nog dagelijks aan herinnert. Het klokje, dat in één van de dakruiters heeft gehangen en vroeger luidde voor elke raadsvergadering, luidt nu tijdens elke Heilige Mis in deze Braziliaanse metropool.

Uitsnede uit een schilderij van Lei Steeghs

Het Raadhuis aan het Mariaplein in Helden werd op 1 juli 1788 opgeleverd. Het klokje in de toren diende niet alleen om de raadsvergadering aan te kondigen. Ook had het klokje de taak om als er brand was, de brandweermannen te alarmeren om snel naar het raadhuis te komen om te horen waar er brand was.

Tijdens de rondvraag van de gemeenteraadsvergadering van 9 september 1945 wordt voor het eerst geopperd het raadhuis af te breken. Vanwege het opblazen van de kerk was het gebouw dermate beschadigd dat renovatie een dure opgave zou blijken. Vanwege het feit dat er in Panningen een gemeentehuis werd betrokken, bood het raadhuis in Helden nog enkele jaren bewoning van enkele Dörper mensen, waaronder Sjors en Leny Krijnen en Wiel en Mia Kranen. Er werden door met name de Dörper gemeenschap nog enkele acties op touw gezet om het raadhuis te behouden. Het was tevergeefs. Tijdens de raadsvergadering van 27 december 1962 opperde wethouder Herman Reijnen om ‘dit schandaal’ af te breken. Dit gebeurde uiteindelijk in 1964.

Het klokje was tijdens de afbraak al enkele jaren weg. Dit klokje maakte in 1958 een verrassende bootreis naar Brazilië om een tweede leven te beginnen.

Het kwam allemaal door de Dörper pater Jan Hermans (1911-1971). Die verbleef, na 21 jaar leven en werken in Brazilië, voor zijn tweede vakantie enkele maanden in Nederland. In die dagen waren zijn collega’s in Fortaleza, de hoofdstad van de deelstaat Ceará, de kerk van Nossa Senhora dos Remédios aan het verfraaien. Daartoe kocht men voor het nieuwe altaar, ontworpen door pater Jan van Engelen, bij de firma Esser in Weert voor 4.300 gulden een tabernakel, een kruisbeeld en zes kandelaars.

Detail uit het schilderij van Harie Kranen van het oude Raadhuis

Pater Jan kreeg het raadhuisklokje in de gaten, vond dat het best zou passen op het vernieuwde priesterkoor in Fortaleza en diende via zijn broer Karel, lid van de gemeenteraad van Helden, een verzoek in om het klokje te bemachtigen.

De heer Hermans zegt dat er in Helden-Dorp een missionaris gevraagd heeft om het kleine klokje in het torentje van het oude raadhuis te kunnen kopen of krijgen… De Voorzitter vraagt de raadsleden of tegen de verkoop van dit klokje enig bezwaar is. Zonder hoofdelijke stemming wordt besloten dit klokje te verkopen aan Missionaris Hermans voor f 1,–.”

Het klokje werd op de zolder van het Missiehuis in Panningen door Broeder Tinus Wenmekers in een houten kist gedaan zodat het op 22 november 1958 veilig verscheept kon worden naar Brazilië. Daar hangt het nog steeds in de Nossa Senhora dos Remédios, de kerk van het Onze Lieve Vrouw van de Geneesmiddelen. Padre Silvio Batista Mitozo gebruikt het nog dagelijks tijdens de eucharistieviering.

 

Met dank aan Jan Pubben, Lei Steeghs en Gerrit Frencken

Eerste postkantoor in Helden bij huize Frencken

Tegenwoordig kunnen we het ons allemaal nauwelijks voorstellen, maar begin vorige eeuw moesten allerlei zaken buitenshuis geregeld worden. Ook contact opnemen met iemand anders was niet zo eenvoudig. Telefoons waren nog geen gemeengoed en van bijvoorbeeld What’s App had men begin 1900 nog nooit gehoord. Een postkantoor was eind 1800 in de communicatie een onmisbare schakel. Reeds in 1898 beschikte Helden over een telefoonverbindingskantoor. De eerste posthouder van Helden was Hubertus Frencken (1873-1928).

Hoewel het eerste postkantoor eind 1898 opende, werden al in januari van dat jaar voorbereidingen getroffen. In ‘De Nieuwe Koerier’ van 25 januari 1898 is te lezen dat de burgemeester van Helden, Jan Janssen, pogingen in het werk stelde om van de ‘Hooge Regeering’ te verkrijgen, dat er een Telephonische verbinding van Helden naar Venlo gerealiseerd zou worden.

Op 19 april van datzelfde jaar werd bekend dat het postkantoor in Helden-Dorp maar ook in Panningen er zou komen. In Helden vond men Hubertus Frencken bereid als posthouder aan de slag te gaan. Toch duurde het nog meer dan een half jaar voordat de installatie geïnstalleerd werd en Hubertus aan de slag kon.

Hubertus was bedreven in het schakelen tussen de enkele telefoonlijnen die in het huis van zijn peetoom, Siegfridus Frencken (1839-1907) aan de Molenstraat in Helden binnen kwamen. Deze woning stond bekend als Helden-Dorp 545/707. Enkel enkele notabelen hadden de beschikking over een telefoontoestel. Het waren diezelfde notabelen die in 1899 een verzoek indienden om te komen tot de vestiging van een hulppostkantoor. Tot op dat moment werd de post afgehaald op het station te Reuver en via Helden naar het hulppostkantoor te Panningen gebracht. Als voornaamste reden werd opgegeven de snellere en kortere verwerkingstijd van de poststukken.

De eerste dag van opening had Hubertus Frencken het erg druk als postkantoorhouder. Hij moest maar liefst 19 telegrammen versturen, zo blijkt uit een artikel in De Nieuwe Koerier van zaterdag 1 oktober 1898.

In 1907 kwam Siegfridus, die kleermaker van beroep was, te overlijden. Hubertus Frencken ging in de woning aan de Molenstraat wonen, samen met zijn echtgenote, Maria Anna Creemers (1872-1935) en stichtte een gezin.

De eerste jaren liep het hulppostkantoor rustig, totdat in 1911 een noodlottige brand roet in het eten gooide. Het postkantoor werd door brand verwoest. Blussen ging nog niet zo snel, want het water moest van De Pool in emmers naar de Molenstraat gebracht worden. Het huis, waar het hulppostkantoor in gevestigd was, werd herbouwd en in 1912 ging de dienstverlening door vanuit het pand dat vele jaren later dienst zou doen als bakker (Bakkerij Peeters) en nog vele jaren later als cafetaria. In ‘De Nieuwe Koerier’ van die tijd staat te lezen:

‘Tegelijk met de opening van den tram zal het nieuwe telefoonkantoor met annexe huizing van den heer H. Frencken gereed zijn. ’t Heele gebouw levert voor ons dorp een fraaien aanblik op. Tegen Paschen kan de telefonische verbinding Venlo-Helden (dorp) weer plaats hebben.

In Nieuws- en Advertentieblad Midden Limburg van zaterdag 17 april 1926 staat een verslag van de gemeenteraadsvergadering van de week daarvoor te lezen. Hieruit blijkt dat op de betreffende vergadering gesproken is om het postkantoor in Panningen om te vormen tot hulppostkantoor. Financieel gewin zou hieraan ten grondslag liggen. Onder voorzitterschap van burgemeester Frans Peter Mathis van Cann, laat wethouder Janssen in het verslag van bijna 100 jaar geleden optekenen dat hij meent dat Hubertus Frencken voor het hulppostkantoor in zijn woning te hebben, 80 à 90 gulden krijgt. Dit zou een bezuiniging kunnen zijn wanneer men dezelfde constructie in Panningen zou toepassen. Zover kwam het echter niet, in Panningen kwam een groot postkantoor op de markt.

Hubertus Frencken overleed op 16 december 1928. Het hulppostkantoor bleef echter in de woning aan de Molenstraat, want Frencken’s echtgenote, Maria Creemers woonde er nog. Enkele Heldenaren werkten in het postkantoor maar een vastere vorm was gewenst. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog lagen de prioriteiten elders.

Net na de Tweede Wereldoorlog verhuisde het hulppostkantoor van de Molenstraat naar het Mariaplein in Helden, recht tegenover de kerk. In het huis van ‘Kranes-Hein’ was Nelly Kranen in 1906 geboren. Zij was in 1938 getrouwd met Siegfried (Sief) Frencken, de zoon van de eerste postkantoorhouder van Helden. En Nelly had een jongere zus, Mia Kranen (1922).

Hij stelde haar voor deze dat zij deze functie uit zou gaan oefenen en zo geschiedde. Het was wel druk in het huis van Kranes-Hein. Zoon Jac woonde er met zijn vrouw Nell Reijnders en ook Kranes-Hein en zijn vrouw woonden er in. Kranes-Hein (Hendrik Josef Kranen) was kapper, Jac werkte hier mee en daarnaast was er het hulppostkantoor gevestigd. “Ik kan me nog wel het een en ander herinneren”, zo vertelt dochter Mia Kranen. Opa en oma Kranen woonden bij mijn ouders Jac en Nell in en hadden op de eerste verdieping een kamer en op de gang aldaar een mini-keuken voor zichzelf.”

Toen in 1949 Nelly Kranen kwam te overlijden was zus Mia steeds meer in het huishouden van Sief Frencken te vinden om voor de kinderen te zorgen waardoor er geen tijd meer over bleef om in het hulppostkantoor te werken.

Het (hulp)postkantoor verhuisde weer, ditmaal naar de van Hövellstraat. Begin jaren vijftig was Mia Schers, die trouwde met Karel Absil een graag gezien gezicht rondom brieven, postzegels, rekeningen en zo meer. ‘Mia van de Post’, zo werd ze liefkozend genoemd, oefende tot eind 1988 de functie uit. In dat jaar ging ze met de VUT. Hiermee verdween het postkantoor in Helden als zelfstandig gebeuren en werd eerst een mobiel postkantoor gelanceerd dat enkele malen per week in Helden te vinden was; naderhand werd in de lokale supermarkt een postfaciliteit ingericht.

Een olijke noot: De Vrolijke Zangers

Tegenwoordig bruist het in Helden-Dorp van de muzikale talenten. Regelmatig is er wel een uitvoering van jeugdig talent live te beluisteren, maar ook op radio en televisie en internet is van alles te vinden. Wat niet iedereen weet is, dat er in de jaren dertig van de vorige eeuw een groepje jonge muzikanten was in Dörp dat regelmatig optrad in de eigen regio: ‘De Vrolijke Zangers’.

In het begin van de vorige eeuw bestond er in Dörp een ‘Muziek en Zangvereeniging’. Dat was het kerkelijk zangkoor van de Lambertusparochie, waaruit in 1902 Fanfare St Cecilia is voortgekomen. In die periode werd ieder jaar het Ceciliafeest gezamenlijk gevierd door zangkoor, fanfare, priesters, koster, onderwijzers en misdienaars.

Voor één van die feesten in 1933 maakt de dan 17-jarige Wiel Kranen ter gelegenheid van het 60-jarige kosterschap van Graad Pubben een speciaal lied. Het werd op het feest door een aantal aanwezigen gezongen. Dat waren Wiel Kranen zelf, Sief Frencken, Wiel Peters, Jo Wilms, Johan Crijns en Pierre van Soest. Het werd kennelijk zo’n succes dat het repertoire uitgebreids werd en meerdere optredens volgden.

Henri Hermans, dirigent van het Maastrichts Stedelijk Orkest, de voorloper van het LSO, was degene die dit gezelschap zelfs voor de radio bracht. Deze in die tijd uitzonderlijke gebeurtenis vond plaats op zaterdag 6 maart 1937. Heel Helden zat ’s avonds om kwart voor negen aan de radio gekluisterd, afgestemd op de KRO, om te luisteren naar ‘De vrolijke Zangers’ uit Dörp. In twee blokken van een kwartier (20.45u en 21.45u) werd een tiental bekende liederen ten gehore gebracht, waarvan enkele nu nog gezongen en gespeeld worden.

Naar aanleiding van een optreden schreef een zekere P.F. Chriger (pseudoniem?) als recensent een welwillende, maar soms ook opmerkelijk kritische recensie in Midden-Limburg van zaterdag 24 oktober 1936.
Volgens Chriger is het duidelijk dat

‘…de beluisterde zangclub nog niet op de hoogste trede van de muzikale ladder in haar genre is beland. Absoluut niet.
De Vroolijke Zangers hebben wederom -zij het dan niet met eenzelfde spontaniteit als we bij ’n vorig optreden mochten constateeren – duidelijk bewijs geleverd voor hun taak berekend te zijn, en ook thans wisten zij de in deze somberen tijd zoo noodzakelijke frische noot te geven.’

Nadat de recensent zijn ergernis over de valse piano heeft geuit (‘meer ’n groote afbreuk danwel ’n versierende omlijsting van het geheel’) gaat hij verder: ‘Der Onkel Bumba’ werd zonder eenig teken van ‘spraakgebrek’ in een bewonderenswaardig vlot tempo uitgevoerd, waarna in ‘de Kapelle’ het hoogtepunt van dezen avond werd bereikt. Dàt was muziek! Zeer zeker, in zulk een voordracht, hét succesnummer voor ieder gehoor, waarin zoowel piano alsook alle stemmen tot hun volste recht komen. Was ’t hierdoor dat ‘Guter Mond’ minder goed voldeed? ’n Licht nummer, dat door een té gemakkelijke uitvoering, té licht aandeed. Flink articuleren is goed, maar dit mag toch zeker bij het bezingen van den zacht zwevenden gang der naam niet in een te afzonderlijk overgaan!
Met ‘De vroolijke Zangers’ zingen we dan als slot, hun een ‘Lebe Wohl’ toe -bij inzet een weinig de stemming zoek – en hoopen, dat zij een succesvol seizoen en verdere toekomst tegemoet zullen gaan.’

In ‘Midden-Limburg’ van 15 oktober 1987 werd dit sextet met een artikel ‘Terug in de tijd’ nog eens in herinnering gebracht. Het was toen vijftig jaar geleden dat ze voor de radio zongen. Het gezelschap heeft maar een relatief kort bestaan gekend (1933-1938).

Met dank aan Henk van Soest en Instituut voor Beeld en Geluid

Aanname: Familienaam Stercken te danken aan beroep voorvader

Een achternaam zoals Janssen is eenvoudig te herleiden, want in mijn stamboom is te zien dat de achternaam rond de eeuwwisseling eind 1600 gebruikt wordt. Maar waar komt nu de niet zo voor de hand liggende achternaam ‘Stercken’, zoals mijn voorvaders eerst genoemd werden, vandaan?

Op 14 oktober 1668 werd Joannes Stercken geboren. Zijn vader en grootvader heetten beiden ook Joannes Stercken, dus deze jongste telg binnen de familie werd ‘de zoon van Joannes’ oftewel ‘Janssen’ genoemd. Hier spreekt men over een patroniem. Dit geeft aan hoe de vader van de naamdrager heet en is dus afgeleid van de naam van de vader.

Toen deze Joannes (1668-1736) op 26 september 1697 trouwde met Catharina Drijssen (1660-1739) kreeg het echtpaar twee kinderen, dochter Wilhelmina (1698), die met de achternaam ‘Stercken’ in het doopregister kwam en zoon Joannes (1701) waar de achternaam ‘Janssen’ in het doopregister genoteerd werd.

De familienaam Stercken zoals deze voor 1700 gebruikt werd, moet een bepaalde herkomst hebben. In Buggenum woonde ook een familie die men ‘Stercken’ noemde. Er is (tot nu) nog geen verwantschap hierin ontdekt, maar de reden waarom deze mensen Stercken genoemd werden is dat deze mensen staatsontvanger, oftewel ontvanger van de gemeentebelasting waren. In die tijd noemde men in deze regio de gemeenteontvanger een ‘man van de wet’ ook wel ‘Stercken’, en daar in die tijd vele familienamen te herleiden waren naar een beroep zal dat ook hier het geval geweest zijn.

In 1600 was de functie van staatsontvanger duidelijk omschreven binnen het lokaal bestuur. De staatsontvanger diende begrote inkomsten te innen. Die inkomsten bestonden niet alleen uit belastingen. Ook de pachtgelden van landerijen en de opbrengsten van verpachtingen van diensten en instellingen als bijvoorbeeld een Bank van Lening waren voor een gemeente een bron van inkomst. Verder ontving de gemeente bijvoorbeeld nog gelden door opbrengsten van de verkoop van hakhout, gewassen en dergelijke. Het zal voor Joannes Stercken een heel belangrijk werk geweest zijn waar knap denkwerk aan te pas kwam. Ten tijde van de Republiek had immer elk gewest zijn eigen munt. Dat betekende niet dat elke provincie ook zijn eigen muntstelsel had. Integendeel, de munten in de zeventiende en achttiende eeuw leken alle sterk op elkaar en waren in de gehele republiek te gebruiken. Omdat de waarde van een munt destijds werd bepaald door het gehalte aan zilver of goud, waren er ook nogal wat buitenlandse munten in omloop.
Met behulp van tarievenboekjes was het mogelijk om van Duitse, Franse, Spaanse of andere muntstukken de juiste waarde te berekenen.
Na 1851, maar toen was de naam Stercken al van het toneel verdwenen in Helden, werd de functie aangeduid met ‘gemeenteontvanger’.

Met een sterke aanname kan verondersteld worden dat ‘mijn’ tak ook haar oorspronkelijke familienaam aan dit beroep te danken heeft.

Van Hövellstraat heette vroeger ‘Kromstraat’

Ik kende het zelf enkel ‘van horen zeggen…’, maar enig speurwerk levert toch een aardige anekdote op: De straat in Helden, die al in 1734 vermeld wordt, kent nog niet zo heel lang de naam Van Hövellstraat. In 1953 werd deze straatnaam gebruikt op een oude verbindingsweg tussen Helden-Dorp en Panningen. Het was de ‘nieuwe’ naam voor de ‘Kromstraat’.

De ‘nieuwe’ straat verbindt de Ruysstraat met Rotonde Antiek in Helden. De straat is genoemd naar Eduard Otto Joseph Maria van Hövell tot Westerflier (1877-1936), gouverneur van Limburg van 1918 tot 1936. De in Twello geboren katholieke baron groeide op het Landgoed Wezeveld bij Deventer op en bezocht later het Stedelijk Gymnasium in Maastricht.

Eduard van Hövell was een telg uit het katholieke geslacht Van Hövell. Hij was een zoon van Clemens Alexander Antonius baron van Hövell tot Westerflier, heer van Wezeveld en Caldenhoven (1842-1927) en jkvr. Elisabeth Theodora Maria Theresia de Kuijper (1850-1915), telg uit de adellijke tak van het geslacht De Kuijper. Op 31 mei 1910 trad hij in Amersfoort in het huwelijk met Marie Cornélie Aimée barones Schimmelpenninck van der Oye (1887-1975). Het echtpaar kreeg zes dochters en vier zonen.

De gefortuneerde Van Hövell behoorde tot een familienetwerk dat in het Nederlandse bestuur belangrijke posities innam. Zo was hij de zwager van L.F.J.M. baron van Voorst tot Voorst, Eerste- en Tweede Kamerlid voor de RKSP, de kleinzoon van jhr. E.J.C.M. de Kuijper, Commissaris des Konings in Limburg en op zijn beurt schoonvader van de NSB-burgemeester van Hilversum, K.L.C.M.I. baron de Wijkerslooth de Weerdesteijn. Eind 1935 ging hij na een hartaanval met ziekteverlof. Hij overleed binnen een jaar in een hotel aan de rand van Brussel.

Op 17 maart 1939 neemt de gemeenteraad van Helden het volgende raadsbesluit:
‘Overwegende dat het wenschelijk is te achten dat tot een nieuwe huisnummering wordt overgegaan; dat er thans een doorlopende nummering bestaat; dat het wenschelijk is voortaan alleen in de buitenwijken de doorlopende huisnummering te handhaven en in de bebouwde gedeelten der gemeente de gebouwen straatsgewijs te nummeren en dat in verband hiermede straatnamen behoren te worden vastgesteld.’
Er worden in genoemd raadsbesluit tweeëntwintig straatnamen vastgesteld, waaronder de van Hövellstraat. Hiervoor noemde men de weg vanaf de huidige rotonde Antiek tot aan de Pastoor Knippenberghstraat, de Kromstraat. Vandaar tot aan de Haammakerstraat gebruikte men Stogger. In de wegenlegger van Helden uit 1938 heet de straat Provinciale Weg Reuver-Meijel.

De Tiendenkaart uit 1734 vermeldt de straat al als de ‘Cromme Straet ten noorden van het Groote veld.’

In Nieuwblad Midden-Limburg (’t Blèdje) werd in 1953 via ingezonden brieven tevergeefs gepleit voor het behoud van de naam Kromstraat.

De Provinciale Weg kreeg dus de naam van een oud-commissaris van een koningin de provincie Limburg. Frappant is dat de schrijfwijze op het straatnaambord niet met een hoofdletter begint, hetgeen taalkundig wel zou moeten.

Jaren ’30: Trammelant in het Heldens muziekland

Rond jaren dertig van de vorige eeuw was er trammelant in het Heldens (muziek)land. Er was onvrede tussen de fanfare van Kepél en die van Dörp.

Voor niet ingewijden: Er is al sinds mensenheugenis heibel tussen ‘die van Kepél en die van Dörp!’

Wat was er aan de hand? De gemeente Helden had voor muziekuitvoeringen een verplaatsbare muziekkiosk aangekocht. Over deze aankoop was al een hoop ‘gezeik’ geweest door die Kepèlse, zo vertelt een oud-muzikant uit Dörp en in 1932 was de maat vol. Voor een uitvoering op het Mariaplein (De Pool) had men de kiosk nodig, maar deze bleek al gereserveerd voor een ander gebeuren. Dit bleek, bij nader onderzoek, geen muziekuitvoering te zijn, tja, en toen waren de rapen gaar.

‘Alle hongsgezeik is heij get en dan geit dit neet en dan geit dèt neet…staik uch dèt ding mèr in uch… wae kaupe zelluf wel zo’n dink, al zelaeve dèt gezeik hèij…’. Dat waren de woorden van een aantal Dörper bestuurders toen zij naar buiten stapten.

Zij kochten geen kiosk maar bouwden het midden op ‘De Pool’, stevig op een betonnen fundering.

‘Dao blieve die van Kepél wel van aaf’ aldus overlevering. Tot heden is dit uitstekend gelukt. Of het precies zo is verlopen? De waarheid zal wel ergens in het midden liggen.

Inzegening beeld St. Lambertus

De inzegening van het beeld van Lambertus bij de kerk in Helden-Dorp bracht veel inwoners van Helden op de been. De speciale gebeurtenis, op 24 april 1949 was ter ere van vijftigjarig priesterjubileum van Deken Jaspers.

Lambertus van Maastricht, ook Lambertus van Luik, Lambert, Landebertus of Lambrecht (Maastricht, 638? – Luik, 17 september 705?), was bisschop van Maastricht tussen ca. 670 en het jaar van zijn dood. Hij is een rooms-katholiek heilige en de patroonheilige van de textielarbeiders. Zijn naamdag is 17 september en zijn attribuut is een lans. Veel kerken zijn aan Lambertus gewijd, waarschijnlijk omdat hij in Brabant en een deel van Limburg het geloof verkondigde.

Naar men aanneemt werd Lambertus in 638 te Maastricht geboren, waarschijnlijk als zoon van Apre, heer van Luik en zijn vrouw Herisplende. Lambertus was afkomstig van een adellijke familie die haar basis had in Maastricht. Hij was een protegé van zijn oom, bisschop Theodardus. Toen Theodardus kort na 669 werd vermoord, bepaalden de raadslieden van de Frankische koning Childerik II dat Lambertus bisschop van Maastricht moest worden. Lambert had banden met Hugobert en Plectrudis, de eerste vrouw van Pepijn van Herstal, de hofmeier (een soort eerste minister en de werkelijke machthebber) van Austrasië, die dit gebied namens de Merovingische koningen van Austrasië bestuurde. Nadat Childerik II in 673 werd vermoord, kwam de factie van Ebroin, de hofmeier van Neustrië, ook in Maastricht aan de macht. Lambertus werd uit zijn ambt gezet en bracht de jaren 674 – 681 in ballingschap door in de door Remaclus in 648 opgerichte Keltisch christelijke abdij van Stavelot. In die periode was Faramundus bisschop van Maastricht. Na de dood van Ebroin in 681 en de daarmee gepaard gaande wijziging in de politieke verhoudingen binnen het Merovingische rijk, kon Lambertus in 681 zijn ambt opnieuw vervullen en keerde hij terug naar zijn bisdom.

In het gezelschap van Willibrord, die in 691 uit Engeland was gekomen, predikte Lambertus het evangelie aan de heidenen in de Kempen en aan de benedenloop van de Maas, in het tegenwoordige Noord-Brabant en Noord-Limburg. In dit gebied zijn daarom kerken aan hem gewijd.

Lambertus’ familie (en ook Plectrudis’ familie) lieten Dodo, een “domesticus” (rentmeester) van Pepijn van Herstal en vermoedelijk de broer van Pepijn van Herstals tweede vrouw Alpaida vermoorden. Dodo’s familieleden, wier machtsbasis zich in de buurt van Luik bevond, namen wraak door op hun beurt Lambertus te vermoorden op zijn landgoed, de Gallo-Romeinse villa van waaruit enige tijd later Luik zou ontstaan. De moord vond uiterlijk plaats in 705 (andere jaren die genoemd worden zijn 696 en 700) in de nacht van 16 op 17 september; Lambertus was toen 67 jaar. Ook Lambertus’ neven Petrus en Andolet werden vermoord. De officiële rooms-katholieke versie ziet Lambertus als een martelaar voor het geloof vanwege zijn verdediging van de huwelijkstrouw, door de verbintenis tussen Pepijn met Alpaida, de broer van Dodo en de moeder van Karel Martel, aan de kaak te stellen.

Meteen daarop werd Lambertus als martelaar vereerd. Hij werd eerst in Maastricht begraven, maar zijn opvolger, Hubertus van Luik, een beschermeling van Pepijn van Herstal en Alpaida, liet, op het moment dat hij zelf ook zijn bisschopszetel van Maastricht naar Luik verplaatste, Lambertus’ overblijfselen naar Luik brengen. Een nieuwe bisschopszetel had zijn eigen heilige nodig. Het was ietwat ironisch, maar getuigt misschien ook wel van berouw, dat men voor die rol een voormalige vijand koos.

Tot 1794 was de Sint-Lambertuskathedraal de belangrijkste kerk van de stad Luik en de kathedraal van het bisdom Luik. Het centrale plein in Luik heet nog steeds Place Saint-Lambert. Lambertus’ overblijfselen werden naar de Sint-Pauluskathedraal in Luik overgebracht.

In België, Nederland en andere landen is een groot aantal kerken te vinden die zijn naam dragen.

U kunt de inhoud van deze pagina niet kopiëren