Janssen op de Zandberg
Mijn voorvaderen hebben vroeger lange tijd op de Zandberg in Helden-Dorp gewoond. Het is een heel speurwerk maar ik heb een redelijk goede analyse kunnen maken, waar ze gewoond hebben.
Wilhelmus Janssen
Wilhelmus (1736-1818) en Helena Janssen-Janssen trouwen in 1761 en gaan op de Vosberg in Panningen en even later op ’t Straatje (de huidige Ruysstraat) in Helden-Dorp wonen. In 1781 koopt Wilhelmus (Wilm) een stuk grond op de Zandberg, in de buurt van Dekeshorst, en bouwt er een boerderijtje op.
Archief Helden: ‘1781, Wilm Janssen Stercken op den Sandtbergh neffens Hubert Heijnen Deckershorst waerts voort in de heijde om te betimmeren met een Huijs 7 morgen grond voor 7 stuivers’.
Achternaam Stercken
Je leest hier de achternaam ‘Stercken’, zo heetten mijn voorouders eerst. Deze vermelding is, zo ontdekte mijn oom Piet Janssen, de laatste keer dat Stercken als toegevoegde familienaam wordt gebezigd.
Wilhelmus en Helena krijgen tien kinderen. Het op één na jongste kind, een zoon, wordt geboren op 5 juli 1779. Hij wordt Adolphus genoemd naar de op jonge leeftijd gestorven broer van vader Wilhelmus.
Liefdesgeluk in Gelderland
Zoon Adolphus komt begin 1800 vaak in verdere oorden. Hij verhandelt namelijk samen met enkele andere gemeentegenoten paarden in een brede regio. Vanuit dit oogpunt zoekt hij, in tegenstelling tot al zijn voorvaderen, zijn huwelijksgeluk buiten Helden (dat in die tijd bij het Franse Keizerrijk van Napoleon hoort). Hij trouwt namelijk in 1808 op 29-jarige leeftijd met Gertrudis Voorspoel (alias Voorspoet). Ze trouwen in Loo, een gehucht bij Duiven. Gertrudis is 23 jaar en afkomstig uit het kerkdorp Groessen, gemeente Duiven in het ‘verre’ Gelderland. Duiven en omgeving zijn onderdeel van de Kleefse enclave, behorend bij Pruisen. In het archief van de gemeente Helden is te lezen dat Adolphus actief was in de handel met paarden en hiervoor vaker voor die tijd, ver buiten de regio, ging om handel te drijven.
Gertrudis is in 1801 getrouwd met Johannes ’’t Hullenar, die in 1808 overlijdt, waarna in datzelfde jaar Gertrudis hertrouwt met Adolphus.
Het jonge paar woont de eerste jaren in Groessen en Adolphus noemt zich daar Albertus. Daar wordt op 12 april 1809 hun eerste kind geboren, een dochter. Haar naam is, evenals die van haar moeder, Gertrudis. Vrij snel na de geboorte van Gertrudis verhuist het gezin naar onze streken en wel naar Maasbree. Ze wonen en werken op een boerderijtje in de buurt van het gehucht Tongerlo (dicht bij de gemeentegrens met Helden, bij het tegenwoordige Koningslust).
Hun tweede kind, een zoontje, wordt daar geboren op 29 september 1811. Hij wordt Wilhelmus genoemd naar zijn grootvader die op 8 februari van datzelfde jaar, 1811, op 74-jarige leeftijd is overleden.
Leonardus Janssen de cultivateur
Het derde kind wordt Leonardus genoemd. Dat is onze over-over-overgrootvader. Hij wordt ’s morgens om 04.00 uur op 4 december 1813 geboren. Aldus vermeldt de in het Frans opgestelde geboorteakte van de gemeente ‘Bree’. De Fransen, die in 1811 de Burgerlijke Stand invoerden, waren na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig toen al vertrokken uit onze streken, maar de burgerlijke stand werd gehandhaafd. Als beroep van Vader Albertus wordt ‘cultivateur’ (landbouwer) vermeld.
Omdat Albertus ‘het schrijven niet machtig is’, hoeft hij de geboorteakte niet te ondertekenen. Drie dagen later, op 7 december 1813, wordt Leonardus in de kerk van St. Aldegundis te Maasbree gedoopt. Naderhand krijgen Albertus en Gertrudis nog twee dochters, Maria (1816) en Joanna (1818), ook allebei geboren in Maasbree.
Rond 1820 verhuist het gezin (terug) naar Helden en gaan ze wonen op de ‘Santberg’. In Helden is Albertus nog steeds bekend als Adolphus en zo heeft hij zijn oorspronkelijke naam weer terug. Deze twee gebruikte namen voor één persoon maakten het voor mijn oom Piet niet gemakkelijk om de stamboom uit te zoeken. “Als hij geweten had hoeveel moeite het kostte om erachter te komen dat Adolphus en Albertus één en dezelfde persoon is, had hij het beslist bij één naam gelaten”, zo vertelde oom Piet nadien lachend.
Betovergrootvader
Omstreeks 1820 wonen Adolf en Gertrudis dus op de Zandberg in Helden, terug naar de ‘roots’ van de familie Janssen, alias Stercken. Het adres van de woning van Adolf Janssen is Zandberg 8, in die tijd Zandberg 409. Zo is het ook in de bewoningsgeschiedenis terug te vinden. Gertrudis overlijdt in 1848.
In het bevolkingsregister van 1860 staat de naam van Adolf Janssen niet meer bij het adres Zandberg 409. Dus weer even zoeken op de Zandberg. Het blijkt dat hij eind 1851 is verhuisd naar Zandberg 483, dat is momenteel Zandberg 14. Zoon Leonardus (Naad) koopt daar een boerderijtje waar Adolf inwoont. Het bedrijf van Naad bestaat uit een woning met bouwland en heide, ter grootte van 1 bunder, 74 roeden en 50 ellen (oftewel 1.7450 hectare). Naad en zijn vrouw Elisabeth Nielissen betalen voor de boerderij de lieve som van 310 gulden. Zoon Peter, mijn overgrootvader, wordt hier op 14 februari 1859 geboren.
Bij de telling in 1869 woont het gezin Janssen-Nielissen nog steeds in dezelfde woning, al is het adres intussen Zandberg 530 geworden. In 1890 is dit ook nog het geval. Leonardus Janssen overlijdt in 1899.
Peter Janssen: Alfe-Naate-Piet en Pruis-Piet
In 1910 woont niemand van de familie Janssen nog op dat adres. Overgrootvader Peter (Piet), die op de Zandberg Alfe-Naate-Piet wordt genoemd (= Piet de zoon van Naad die weer de zoon is van Adolf), trouwt in 1891 met Wilhelmina Hesen. Ze gaan ook op de Zandberg wonen, aanvankelijk naast de woning van de ouders van Piet en een jaar later in een boerderij iets verderop. In 1903 sterft Wilhelmina en Piet blijft achter met zes jonge kinderen, waarvan de jongste ook in 1903 overlijdt. In datzelfde jaar verhuist Piet met zijn overgebleven vijf kinderen naar het gehucht ‘Op den Boosch’ tussen Beringe en Grashoek.
Overgrootvader Piet trekt in het gehucht ‘Op den Boosch’ in bij zijn schoonmoeder, de weduwe Martina Hesen-Beurskens, die daar op een boerderijtje woont met haar vijf (nog) ongetrouwde kinderen. In 1905 keert Piet weer terug naar de Zandberg, waar hij op de Veegtes gaat inwonen bij een neef en nicht van zijn overleden vrouw Wilhelmina. In 1906 hertrouwt Piet met Maria Berghs. Ze gaan wonen op ‘De Keup’ in een boerderij die ze gekocht hebben van de ouders van Maria. De vader van Maria wordt Pruis-Naad genoemd en omdat Piet in het huis van Naad gaat wonen wordt hij op de Keup Pruis-Piet genoemd. Uit het huwelijk van Pruis-Piet en Maria worden zes kinderen geboren. In 1918, bij de geboorte van het jongste kind overlijdt Maria. Ten gevolge van de Spaanse griep overlijden in datzelfde jaar ook Sil en Naad, resp. 21 en 19 jaar jong, de twee zonen uit het eerste huwelijk van Piet. Opnieuw blijft Piet alleen achter met de zorg voor zes jonge kinderen. In 1924 hertrouwt Piet met zijn huishoudster, Han Jacobs. In 1935 krijgt Piet een beroerte; hij komt in een rolstoel te zitten en verliest zijn spraakvermogen. Op 4 mei 1940, enkele dagen voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, overlijdt Piet. Hij is dan 81 jaar.

Over Graad Engels

Het klokje was tijdens de afbraak al enkele jaren weg. Dit klokje maakte in 1958 een verrassende bootreis naar Brazilië om een tweede leven te beginnen.

Het klokje werd op de zolder van het Missiehuis in Panningen door Broeder Tinus Wenmekers in een houten kist gedaan zodat het op 22 november 1958 veilig verscheept kon worden naar Brazilië. Daar hangt het nog steeds in de Nossa Senhora dos Remédios, de kerk van het Onze Lieve Vrouw van de Geneesmiddelen. Padre Silvio Batista Mitozo gebruikt het nog dagelijks tijdens de eucharistieviering.
Hoewel het eerste postkantoor eind 1898 opende, werden al in januari van dat jaar voorbereidingen getroffen. In ‘De Nieuwe Koerier’ van 25 januari 1898 is te lezen dat de burgemeester van Helden, Jan Janssen, pogingen in het werk stelde om van de ‘Hooge Regeering’ te verkrijgen, dat er een Telephonische verbinding van Helden naar Venlo gerealiseerd zou worden.
Hubertus was bedreven in het schakelen tussen de enkele telefoonlijnen die in het huis van zijn peetoom, Siegfridus Frencken (1839-1907) aan de Molenstraat in Helden binnen kwamen. Deze woning stond bekend als Helden-Dorp 545/707. Enkel enkele notabelen hadden de beschikking over een telefoontoestel. Het waren diezelfde notabelen die in 1899 een verzoek indienden om te komen tot de vestiging van een hulppostkantoor. Tot op dat moment werd de post afgehaald op het station te Reuver en via Helden naar het hulppostkantoor te Panningen gebracht. Als voornaamste reden werd opgegeven de snellere en kortere verwerkingstijd van de poststukken.
De eerste jaren liep het hulppostkantoor rustig, totdat in 1911 een noodlottige brand roet in het eten gooide. Het postkantoor werd door brand verwoest. Blussen ging nog niet zo snel, want het water moest van De Pool in emmers naar de Molenstraat gebracht worden. Het huis, waar het hulppostkantoor in gevestigd was, werd herbouwd en in 1912 ging de dienstverlening door vanuit het pand dat vele jaren later dienst zou doen als bakker (Bakkerij Peeters) en nog vele jaren later als cafetaria. In ‘De Nieuwe Koerier’ van die tijd staat te lezen:
In Nieuws- en Advertentieblad Midden Limburg van zaterdag 17 april 1926 staat een verslag van de gemeenteraadsvergadering van de week daarvoor te lezen. Hieruit blijkt dat op de betreffende vergadering gesproken is om het postkantoor in Panningen om te vormen tot hulppostkantoor. Financieel gewin zou hieraan ten grondslag liggen. Onder voorzitterschap van burgemeester Frans Peter Mathis van Cann, laat wethouder Janssen in het verslag van bijna 100 jaar geleden optekenen dat hij meent dat Hubertus Frencken voor het hulppostkantoor in zijn woning te hebben, 80 à 90 gulden krijgt. Dit zou een bezuiniging kunnen zijn wanneer men dezelfde constructie in Panningen zou toepassen. Zover kwam het echter niet, in Panningen kwam een groot postkantoor op de markt.
Hij stelde haar voor deze dat zij deze functie uit zou gaan oefenen en zo geschiedde. Het was wel druk in het huis van Kranes-Hein. Zoon Jac woonde er met zijn vrouw Nell Reijnders en ook Kranes-Hein en zijn vrouw woonden er in. Kranes-Hein (Hendrik Josef Kranen) was kapper, Jac werkte hier mee en daarnaast was er het hulppostkantoor gevestigd. “Ik kan me nog wel het een en ander herinneren”, zo vertelt dochter Mia Kranen. Opa en oma Kranen woonden bij mijn ouders Jac en Nell in en hadden op de eerste verdieping een kamer en op de gang aldaar een mini-keuken voor zichzelf.”
Het (hulp)postkantoor verhuisde weer, ditmaal naar de van Hövellstraat. Begin jaren vijftig was Mia Schers, die trouwde met Karel Absil een graag gezien gezicht rondom brieven, postzegels, rekeningen en zo meer. ‘Mia van de Post’, zo werd ze liefkozend genoemd, oefende tot eind 1988 de functie uit. In dat jaar ging ze met de VUT. Hiermee verdween het postkantoor in Helden als zelfstandig gebeuren en werd eerst een mobiel postkantoor gelanceerd dat enkele malen per week in Helden te vinden was; naderhand werd in de lokale supermarkt een postfaciliteit ingericht.
Voor één van die feesten in 1933 maakt de dan 17-jarige Wiel Kranen ter gelegenheid van het 60-jarige kosterschap van Graad Pubben een speciaal lied. Het werd op het feest door een aantal aanwezigen gezongen. Dat waren Wiel Kranen zelf, Sief Frencken, Wiel Peters, Jo Wilms, Johan Crijns en Pierre van Soest. Het werd kennelijk zo’n succes dat het repertoire uitgebreids werd en meerdere optredens volgden.
Naar aanleiding van een optreden schreef een zekere P.F. Chriger (pseudoniem?) als recensent een welwillende, maar soms ook opmerkelijk kritische recensie in Midden-Limburg van zaterdag 24 oktober 1936.
Nadat de recensent zijn ergernis over de valse piano heeft geuit (‘meer ’n groote afbreuk danwel ’n versierende omlijsting van het geheel’) gaat hij verder: ‘Der Onkel Bumba’ werd zonder eenig teken van ‘spraakgebrek’ in een bewonderenswaardig vlot tempo uitgevoerd, waarna in ‘de Kapelle’ het hoogtepunt van dezen avond werd bereikt. Dàt was muziek! Zeer zeker, in zulk een voordracht, hét succesnummer voor ieder gehoor, waarin zoowel piano alsook alle stemmen tot hun volste recht komen. Was ’t hierdoor dat ‘Guter Mond’ minder goed voldeed? ’n Licht nummer, dat door een té gemakkelijke uitvoering, té licht aandeed. Flink articuleren is goed, maar dit mag toch zeker bij het bezingen van den zacht zwevenden gang der naam niet in een te afzonderlijk overgaan!
In ‘Midden-Limburg’ van 15 oktober 1987 werd dit sextet met een artikel ‘Terug in de tijd’ nog eens in herinnering gebracht. Het was toen vijftig jaar geleden dat ze voor de radio zongen. Het gezelschap heeft maar een relatief kort bestaan gekend (1933-1938).
In 1600 was de functie van staatsontvanger duidelijk omschreven binnen het lokaal bestuur. De staatsontvanger diende begrote inkomsten te innen. Die inkomsten bestonden niet alleen uit belastingen. Ook de pachtgelden van landerijen en de opbrengsten van verpachtingen van diensten en instellingen als bijvoorbeeld een Bank van Lening waren voor een gemeente een bron van inkomst. Verder ontving de gemeente bijvoorbeeld nog gelden door opbrengsten van de verkoop van hakhout, gewassen en dergelijke. Het zal voor Joannes Stercken een heel belangrijk werk geweest zijn waar knap denkwerk aan te pas kwam. Ten tijde van de Republiek had immer elk gewest zijn eigen munt. Dat betekende niet dat elke provincie ook zijn eigen muntstelsel had. Integendeel, de munten in de zeventiende en achttiende eeuw leken alle sterk op elkaar en waren in de gehele republiek te gebruiken. Omdat de waarde van een munt destijds werd bepaald door het gehalte aan zilver of goud, waren er ook nogal wat buitenlandse munten in omloop.
Eduard van Hövell was een telg uit het katholieke geslacht Van Hövell. Hij was een zoon van Clemens Alexander Antonius baron van Hövell tot Westerflier, heer van Wezeveld en Caldenhoven (1842-1927) en jkvr. Elisabeth Theodora Maria Theresia de Kuijper (1850-1915), telg uit de adellijke tak van het geslacht De Kuijper. Op 31 mei 1910 trad hij in Amersfoort in het huwelijk met Marie Cornélie Aimée barones Schimmelpenninck van der Oye (1887-1975). Het echtpaar kreeg zes dochters en vier zonen.
Op 17 maart 1939 neemt de gemeenteraad van Helden het volgende raadsbesluit:
De Provinciale Weg kreeg dus de naam van een oud-commissaris van een koningin de provincie Limburg. Frappant is dat de schrijfwijze op het straatnaambord niet met een hoofdletter begint, hetgeen taalkundig wel zou moeten.
‘Alle hongsgezeik is heij get en dan geit dit neet en dan geit dèt neet…staik uch dèt ding mèr in uch… wae kaupe zelluf wel zo’n dink, al zelaeve dèt gezeik hèij…’. Dat waren de woorden van een aantal Dörper bestuurders toen zij naar buiten stapten.