Een klein beetje Duitse roots

Als je door de stamboom aan het pluizen bent, doe je regelmatig ‘aparte’ ontdekkingen. Zo ook nu weer, want in mijn stamboom komt een beetje Duits bloed voor. Alhoewel: In die tijd hoorde het gebied waar ik over schrijf tot het Hertogdom Gelre, waar ook Helden en omgeving deel van uitmaakte.

De grootmoeder van mijn overgrootvader, Joanna Theeuwen (1805-1880) uit Maasbree heeft Duitse voorouders. Zij is in 1838 met Lambertus Frencken (1808-1897) getrouwd.
Haar overgrootvader, Arnoldus Tewen (1710-1798), werd geboren in het Duitse Leuth. Leuth, is een van de zes stadsdelen van de gemeente Nettetal in de deelstaat Noordrijn-Westfalen in Duitsland, net over de grens bij Venlo. Tot 1970 was het een zelfstandige gemeente.

Arnoldus trouwde in 1732 voor de eerste maal met de uit Tegelen afkomstige Eva op Cleef. Omdat zij vroegtijdig stierf (1738), trouwde hij zes maanden later, op 17 mei 1739 in zijn toenamolige woonplaats Tegelen met de Maasbreese Ida Heldens (1715-1800) en verhuisde daarmee naar de geboorteplaats van zijn vrouw.

Als ik daar eens tussen mocht zitten, flitste door mijn hoofd

Op 4 augustus 1929 deed ze haar intrede in de congregatie van de Zusters van Liefde. Marietje Lenders werd zuster Frederico en koos daarmee definitief voor het kloosterleven.

Maria Elisabeth (Marietje) Lenders (1913-2008) was de kleindochter van Hendrik Lenders (1823-1891) die op zijn beurt weer de kleinzoon was van Henricus Lenders (1752-1823). Deze Henricus was ook de grootvader van een andere Hendrik Lenders (1825-1892), en dat was de grootvader van mijn grootmoeder. Is het nog te volgen?

Terug naar de katholieke kerk, die binnen veel families vroeger een belangrijke rol speelde. Dit was ook bij de familie Lenders zo. In een vorig verhaal schreef ik over bouwpastoor Alphons Lenders, nu dus een geheel andere tak van de Lenders-stamboom, over zuster Frederico. Marietje Lenders, oftewel Zuster Frederico, had nooit spijt van het kloosterleven. Haar leven binnen de kloostermuren zou afgewisseld worden met lesgeven binnen het onderwijs. Half Schijndel heeft ze voor de klas gehad. Als een oud-leerling haar naam hoort, zegt deze spontaan: “Zuster Frederico? Een schat van een mens, ze kon veel hebben, maar je leerde gauw waar de grens lag.”

Ze is op 12 september 2008 overleden. In de zeventig jaar die ze bij de zusters doorbracht, heeft ze een hele evolutie binnen de religie, het kloosterleven èn het onderwijs meegemaakt. Van een karig ingerichte chambrette tot een gezellig ingericht woon- en slaapappartement met uitzocht op een fraaie binnentuin en van strenge regels en absoluut gezag tot soepele regelgeving en inspraak.

Ze was twaalf jaar toen ze als interne leerlinge voor een mulo-opleiding bij de zusters in Schijndel werd aangemeld. “Mijn vader en moeder hadden in Son een bakkerij annex winkel”, vertelde zuster Frederico tegen Roos Arts-Lenders, die haar aan het begin van deze eeuw meerdere malen sprak, toen ze bezig was met de uitwerking van haar familieboek over de nazaten van de familie Lenders.

Al vroeg speelde in haar hoofd dat ze het klooster in wilde. “Dat is nooit door mijn familie opgedrongen”, zo vertelde ze in 2003. “Als iemand mij als klein kind vroeg wat ik wilde worden, zei ik steevast: ‘zuster’.“ Het leven tussen de klooster- en schoolmuren boeide haar. “Als we in de kapel zaten, zag ik de grote groep zusters”, zo vervolgde ze in die tijd. Na de mulo-opleiding was de overgang naar de kweekschool onvermijdelijk. Het onderwijs lag haar. Geen zuster in de verpleging en geen zuster op een huishoudschool. “Ik kon nog gene knoop aan een hemd naaien”, aldus zuster Frederico.

Het werd uiteindelijk het kleuteronderwijs. “Ik ben op de school tegenover het klooster begonnen. Het was de tijd dat onder de les niet mocht worden gedronken en naar de wc gaan taboe was, dat moest allemaal op gepaste tijden gebeuren”, herinnerde Marietje zich. Ze had in 2003 nog een leuke anekdote. “Ik zei tegen de jongens dat, als ze naar de wc gingen, zij de wc-bril omhoog moesten doen. Toen een leerling lang in het hokje bleef, ging ik toch eens kijken. Daar stond hij huilend met zijn brilmontuur omhoog gestoken. Hij kon op die manier natuurlijk niet plassen!”

Het omgaan met kinderen en ouders heeft zuster Frederico tot aan haar pensioen, 49 jaar lang, als zeer prettig ervaren. “Veranderingen binnen het onderwijs spraken mij onmiddellijk aan. Ik heb met vernieuwing nooit moeite gehad. Hoe soepeler het allemaal werd, hoe liever ik het had. Ik vraag me nog wel eens af of ik wel een echte, goede religieuze ben”, zo lachte de zuster in 2003.

Tien jaar, waarvan vijf oorlogsjaren, bracht zuster Frederico in Nijmegen door, om daarna weer terug naar haar vertrouwde Schijndel terug te keren. “Je had toen niets te zeggen, je ging naar waar je naartoe werd gestuurd”, zo vertelde ze.

De kloosternaam ‘zuster Frederico’ heeft ze ontleend aan de naam van haar vader, Frits, en haar moedersnaam Drieka.

De Lokale Omroep Schijndel zond aan het begin van deze eeuw een portret over en met haar uit.

Alphons Lenders bouwpastoor van Maastrichtse Sint-Hubertuskerk

Heel ver is hij familie, want de overgrootvader van Alphons was Henricus Lenders (1752-1823). En die Henricus was weer de overgrootvader van mijn grootmoeder. Is het nog te volgen? Insteek van dit verhaal is het feit dat Alphons bouwheer was van de Sint-Hubertuskerk in de Boschpoort (ook wel Bosscherveld genoemd) in Maastricht.

De kerk werd in 1924 gebouwd. Alphons had het er in die tijd maar druk mee. De zoon van Adriaan Lenders en Hermine van Oijen die eigenaar waren van winkel, bakkerij en herberg De Zwaan in de Dorpsstraat in Meijel waren trots op hun zoon.

Alphons ging op 9 oktober 1890 naar het Bisschoppelijk College in Weert en op 1 september 1896 werd hij ingeschreven op het grootseminarie Rolduc. Op 15 maart 1902 werd hij in Roermond tot priester gewijd waarna hij tot 1920 leraar geschiedenis werd aan het Progymnasium te Venlo. Van 1921 tot zijn dood in 1931 was hij oprichter en eerste pastoor van de parochie van St. Hubertus te Maastricht. Dat was in de wijk Bosscherveld. Samen met kapelaan Jan Moorman heeft hij daar, tussen tweehonderd noodwoningen en met veel geldzorgen, een kerk kunnen bouwen naar ontwerp van de Venlose architect ir. Jules Kayzer.

Daar vierde hij ook zijn zilveren priesterfeest op 15 maart 1927, waarbij hij van de parochie een uurwerk met luidklok kreeg met de inscriptie ‘Alphonsus is mijn naam’.

Hij overleed vrij plotseling. Op verzoek van zijn halfzus Petronella Lenders, genoemd ‘Lindere Nella’, werd hij begraven in Neerkant. Lindere Nella was naar Neerkant verhuisd en dreef daar tot op hoge leeftijd een kruidenierszaak en postkantoor. Zij ondersteunde Alphons regelmatig met geldzendingen.

Anno 2021 is de kerk niet meer in dienst voor religieuze diensten, maar kan er gesport worden. Het is een sportschool.

Geheimtaal om ‘de Pruus’ om de tuin te leiden

Begin oktober 1944 voerden de Duitsers razzia’s uit in Noord-Limburg. Het doel was om gevangenen voor dwangarbeid af te voeren naar Duitsland. Ook op De Keup in Helden werd door de soldaten gezocht naar mannen die konden worden ingezet voor de Duitse oorlogsmachine. Maar Ome Mart, een broer van mijn grootvader, wist net op tijd te ontsnappen.

Mart Janssen vluchtte het veld in achter de boerderij en hield zich daarna nog schuil in de bosjes. Het was een spannend gebeuren want de Duitsers zochten nog dagenlang naar ‘deserteurs’. Maar Ome Mart was hun toch te slim af.

Met de dames op De Keup had hij de volgende afspraak gemaakt: ‘Als de was buiten op de draad hangt is het niet veilig, dan zijn de Duitsers in de buurt. Zo gauw als de kust (redelijk) veilig is gaat de was van de draad. Dan kun je even naar huis komen om snel wat te eten, maar dan weer snel naar je schuilplaats.’

Of was het nou precies andersom: was op de draad betekent veilig en was binnen is onveilig? We moeten het hebben van de overleving, maar hoe het ook zij, de afspraak werkte voortreffelijk.

Na enkele dagen gaven de Duitsers het zoeken op. Ome Mart was, wonder boven wonder, ontsnapt aan deportatie naar Duitsland.

Tijdens de moeilijke periode dat Ome Graad, een andere broer van mijn grootvader, in Duitsland was, hield hij samen met Tante Mien Oomen het boerenbedrijf op De Keup gaande.

Lenders en Litjens; spraakverwarring?

Mijn grootvader, Piet Janssen, trouwde in 1938 met Cato Lenders (To van Litjens Sil). Omdat zij gingen wonen in een woning die gebouwd was door de familie Lenders, werd mijn grootvader al snel ‘Litjens Piet’ genoemd. Maar ‘Litjens’ is geen patroniem van de familienaam ‘Lenders’, maar heeft een andere herkomst.

Het schijnt dat vele jaren geleden een boerderij tussen het gehucht Everlo (bij Panningen) en Meijel heeft gelegen die de naam ‘Litjens’ droeg. Daar zou de ‘bijnaam’ zijn oorsprong vinden. Piet Crommentuijn uit Meijel heeft uitgezocht dat de volksnaam ‘Litjens’ in Meijel voorkwam vanaf ongeveer 1650 toen Alard Gerrit Lettiens trouwde met Anna Jan Kusters. De navolgende of aangetrouwde families Janssen (Thomassen), Lenders en Nijssen werden tot 1992 ‘die van Litjens’, Letjens, Letten of Lutjens genoemd.

Dat de bijnaam en de familienaam tot onduidelijkheid leidden blijkt uit een voorval dat zich op 16 april 1803 afspeelde. In het Belgische Mons (Bergen) werd Henricus Lenders, een broer van de overgrootvader van mijn grootmoeder, gevangen genomen. De reden was omdat hij als achternaam ‘Letten’ gebruikte, soms als ‘Litjens’ maar ook als ‘Lenders’ aangesproken werd. Reden voor de Fransen, hem op te pakken omdat men hem ervan verdacht spionageactiviteiten te ontplooien.

Henricus Lenders werd op 26 oktober 1782 geboren in Helden, als derde kind van Henricus (1752-1823) en Adrina Korsten (1750-1812). Bij zijn doop werd zijn achternaam echter foutief geschreven en stond in de geboorteakte ‘Letten’ te lezen. Omdat velen in die tijd niet konden lezen noch schrijven werd er niet op gereageerd. Deze naamsverwarring zou Henricus nog zwaar komen te staan.

Na zijn school werd hij uitgeloot als cavalerist der Tweede Klasse, behorend bij het Garnizoen in Zaltbommel. Hij werd uitgezonden naar België en in Mons kwam hij vervolgens terecht in de strijd tegen Napoleon. Voordat hij vertrok kreeg hij in zijn toenmalige woonplaats nog een paspoort. Omdat hij zichzelf ‘Lenders’ noemde, maar hij te boek stond als ‘Letten’ en zijn vrienden hem ‘Litjens’, naar de oude boerderij in Meijel noemden, waren er mensen die dachten dat Henricus een spion was. De situatie werd niet vertrouwd en op 16 april 1803 werd Henricus (hij werd ook Henri genoemd) opgepakt en terechtgesteld. In Mons kwam hij in de gevangenis terecht met als verdict: spionage.

Het nieuws kwam maanden later bij zijn ouders in Meijel terecht. Die spoedden zich naar de burgemeester, Theodorus Goossens. Nadat de ouders de situatie hadden uitgelegd, schreef hij op 18 augustus 1804 een brief aan de burgemeester van Mons, Bouvignies.

“Heer collega,
Ik ben zeer teleurgesteld in verband met het voorval rond Henri Lenders dat zich op 16 april 1803 heeft afgespeeld. Ik verzoek u in naam van de menselijkheid u te willen begeven naar Mons (Bergen) waar die persoon gevangen zit, en er alles in beweging te zetten voor zijn invrijheidsstelling. Deze persoon is voorzien van een paspoort, uitgereikt in de gemeente Meijel.
U ziet wel in de bijgevoegde notariële akte, die wettig is opgesteld, dat dezelfde persoon zich afwisselend Henri Lenders en Henri Letten noemt. Deze vergissing of verwisseling komt voort uit de slordigheid van de pastoor van Helden, die niet heeft gevraagd naar de echte naam van de vader (Lenders), maar die zich tevreden stelde door de naam te vermelden, onder welke hij algemeen (bij het volk) bekend was (Letten/Litjens).
Ik durf u te verzekeren, dat onze gevangene in het geheel niet schuldig is; daarom smeek ik om uw welwillendheid zich voor hem te interesseren.
U zult voor eeuwig ten zeerste aan u verplichten degene die zich hartelijk uw zeer verplichtende college noemt.”

Dankzij de bemoeienis van de burgemeester van Mons, werd Henricus Lenders in vrijheid gesteld en verbleef in de regio. Tijdens dit verblijf leerde hij Adolphine Joseph Adant ((1809-1852) kennen. Ondanks het grote leeftijdsverschil (27 jaar) trouwden zij op 7 juni 1827, jaren na de val van Napoleon, in Mons en gingen ze wonen in de nabijgelegen geboorteplaats van Adolphine, Merbes-Sainte-Marie. Omdat de naamsverwarring gezorgd had dat Henricus een groot probleem had gekregen, liet hij bij de rechtbank in Roermond zijn achternaam Letten, vanuit zijn doopakte via een proces veranderen naar ‘Lenders’.

Het echtpaar kreeg twee zonen, zodat het geslacht Lenders (of Litjens?) in de Belgische provincie Henegouwen is verder gegaan.

Tante Zuster vierde smaragden feest

Medio vorige eeuw was het in het Katholieke Limburg heel gebruikelijk dat in ieder gezin iemand ‘uitstroomde’ naar een geloofsgemeenschap. Zo ook Maria Josephina Creemers, een oud-tante van mijn moeder. Het was door een foto die mijn jongste zus had dat mijn moeder reageerde door te melden wie erop stond. “Ah, dat is Tante Engelberta!” En ik maar zoeken in de stamboom waar die ‘Engelberta’ ergens thuis hoorde.

Doordat we in de geschiedenis van deze zus van mijn moeders grootmoeder doken, kwamen we in Heerlen uit. Tante Maria Josephina Creemers, die geboren werd op 23 november 1873 in Baarlo, werd op 19 maart 1898 opgenomen bij de Orde van de congregatie ‘De Kleine Zusters van de Heilige Joseph’ in het ‘Savelbergklooster’ in Heerlen. Vanaf dat moment nam ze de kloosternaam ‘Zuster Engelberta’ aan. De naam ‘Engelberta’ is afgeleid van ‘Engel’ en betekent ‘Bode van God.’

Anno 2021 is het klooster er niet meer, maar het archief is nog wel aanwezig in het tot museum omgevormde klooster. Het imposante gebouw, waar ‘Tante Zuster’ op 24-jarige leeftijd naartoe ging, heeft een brede historie. Tientallen zusters, geholpen door dienstmeisjes en knechten, vingen er sinds 1905 honderden kinderen op. De zusters behoorden tot de congregatie van de Kleine Zusters van Sint-Joseph. Die werd bijna 150 jaar geleden in Heerlen gesticht door Mgr. Savelberg. Daar is nog het Moederhuis gevestigd en worden de archiefstukken van de verschillende huizen bewaard. Gabrielle Dorren beschreef de geschiedenis van de congregatie. Ik kreeg contact met Marc Sterk die documenten en foto’s met feiten boven wist te halen.

Mijn grootvader bracht vroeger vaker een bezoek aan zuster Engelberta. Het was per slot van rekening zijn tante. Mijn moeder heeft er nog een oud servies van geërfd.

Zuster Engelberta stierf op 94-jarige leeftijd, enkele maanden na haar 70-jarige gelofte. Ze werd in september 1968 begraven op het Kloosterkerkhof bij het Moederhuis, Huize de Berg. Haar graf is er nog steeds evenals de naamsvermelding in de gedachteniskapel.

In het laatste ‘Contactblad van de Zusteren’ van 1968 werd haar overlijden gemeld. “Met haar is heengegaan één van onze oudere zusters, die de stichter nog heeft gekend. Zij kon zelf met humor, haar eigen, vertellen dat zij vóór haar intrede tweemaal bediend was en dus zwak was. De Stichter heeft haar toch aangenomen in onze congregatie. Verraadde haar voorkomen een sterke geest in een zwak lichaam?”, zo valt te lezen in het blad dat meer dan vijftig jaar geleden werd uitgegeven.

De tekst vervolgt: “Zij was in haar goede jaren zeer bekwaam met de naald en was een precieze kosteres in Rolduc. Naar het Moederhuis gekomen, heeft zij zich verdienstelijk gemaakt met het vervaardigen van relikwieën van onze Stichter, Mgr. Peter Joseph Savelberg.”

Marc Sterk laat nog weten dat de relikwie’tjes van de stichter, die dus ook de oud-tante van mijn moeder heeft vervaardigd, nog steeds bestaan en ook nog als zodanig gemaakt worden.

Voor de geïnteresseerden: Het Savelbergmuseum is op afspraak te bezoeken (momenteel vanwege corona niet) en ligt aan de Gasthuisstraat 2 in Heerlen.

Van Hövellstraat heette vroeger ‘Kromstraat’

Ik kende het zelf enkel ‘van horen zeggen…’, maar enig speurwerk levert toch een aardige anekdote op: De straat in Helden, die al in 1734 vermeld wordt, kent nog niet zo heel lang de naam Van Hövellstraat. In 1953 werd deze straatnaam gebruikt op een oude verbindingsweg tussen Helden-Dorp en Panningen. Het was de ‘nieuwe’ naam voor de ‘Kromstraat’.

De ‘nieuwe’ straat verbindt de Ruysstraat met Rotonde Antiek in Helden. De straat is genoemd naar Eduard Otto Joseph Maria van Hövell tot Westerflier (1877-1936), gouverneur van Limburg van 1918 tot 1936. De in Twello geboren katholieke baron groeide op het Landgoed Wezeveld bij Deventer op en bezocht later het Stedelijk Gymnasium in Maastricht.

Eduard van Hövell was een telg uit het katholieke geslacht Van Hövell. Hij was een zoon van Clemens Alexander Antonius baron van Hövell tot Westerflier, heer van Wezeveld en Caldenhoven (1842-1927) en jkvr. Elisabeth Theodora Maria Theresia de Kuijper (1850-1915), telg uit de adellijke tak van het geslacht De Kuijper. Op 31 mei 1910 trad hij in Amersfoort in het huwelijk met Marie Cornélie Aimée barones Schimmelpenninck van der Oye (1887-1975). Het echtpaar kreeg zes dochters en vier zonen.

De gefortuneerde Van Hövell behoorde tot een familienetwerk dat in het Nederlandse bestuur belangrijke posities innam. Zo was hij de zwager van L.F.J.M. baron van Voorst tot Voorst, Eerste- en Tweede Kamerlid voor de RKSP, de kleinzoon van jhr. E.J.C.M. de Kuijper, Commissaris des Konings in Limburg en op zijn beurt schoonvader van de NSB-burgemeester van Hilversum, K.L.C.M.I. baron de Wijkerslooth de Weerdesteijn. Eind 1935 ging hij na een hartaanval met ziekteverlof. Hij overleed binnen een jaar in een hotel aan de rand van Brussel.

Op 17 maart 1939 neemt de gemeenteraad van Helden het volgende raadsbesluit:
‘Overwegende dat het wenschelijk is te achten dat tot een nieuwe huisnummering wordt overgegaan; dat er thans een doorlopende nummering bestaat; dat het wenschelijk is voortaan alleen in de buitenwijken de doorlopende huisnummering te handhaven en in de bebouwde gedeelten der gemeente de gebouwen straatsgewijs te nummeren en dat in verband hiermede straatnamen behoren te worden vastgesteld.’
Er worden in genoemd raadsbesluit tweeëntwintig straatnamen vastgesteld, waaronder de van Hövellstraat. Hiervoor noemde men de weg vanaf de huidige rotonde Antiek tot aan de Pastoor Knippenberghstraat, de Kromstraat. Vandaar tot aan de Haammakerstraat gebruikte men Stogger. In de wegenlegger van Helden uit 1938 heet de straat Provinciale Weg Reuver-Meijel.

De Tiendenkaart uit 1734 vermeldt de straat al als de ‘Cromme Straet ten noorden van het Groote veld.’

In Nieuwblad Midden-Limburg (’t Blèdje) werd in 1953 via ingezonden brieven tevergeefs gepleit voor het behoud van de naam Kromstraat.

De Provinciale Weg kreeg dus de naam van een oud-commissaris van een koningin de provincie Limburg. Frappant is dat de schrijfwijze op het straatnaambord niet met een hoofdletter begint, hetgeen taalkundig wel zou moeten.

Vier maal drie generaties Piet(er) Janssen

De naam Piet of een synoniem daarvan komt in onze stamboom veelvuldig voor. Mijn overgrootvader, Peter Janssen (1859-1940) is, voor zover ik kan terug gaan, de oudste in de stamboom, met die naam.

Op 28 december 1990 werd een foto gemaakt van vier personen, drie generaties Piet(er) Janssen, in mijn ouderlijk huis.
De oudste op de foto (helemaal links) is mijn grootvader Peter Gerardus (Piet) Janssen (1909-1998). Helemaal rechts op de foto mijn oom, Peter (Piet) Janssen (1940-2019). De kleinste op de foto is mijn neefje Pieter van der Veeken (1984), de oudste zoon van mijn tante Josée Janssen. Ik zelf (1973) zit langs hem.

Een analyse: Achternaam ‘Frencken’ is patroniem van de achternaam ‘France’?

Wanneer je zoekt op de achternaam Frencken merk je dat er diverse schrijfwijzen zijn. In onze streken heeft men, volgens kenners, een achternaam aangenomen vóór 1650, terwijl Napoleon dit pas in 1811 invoerde. De overgang van kerkelijke registers naar de burgerlijke stand is hierin een apart hoofdstuk. Onze achternamen zijn daarmee vaak ook meer dan 350 jaar oud. Maar hoe zit het nu met de achternaam Frencken?

De Germaanse volken die sinds de vijfde eeuw het gebied van het huidige België en Nederland bewoonden, de Franken, de Friezen en de Saksen, hadden een éénnaamsysteem. Eén naam volstond, omdat bijna iedereen een verschillende naam kreeg. Dit was mogelijk door het combineren van naamelementen tot steeds nieuwe, tweeledige samenstellingen.

In de middeleeuwen is het Germaanse éénnaamsysteem langzaam maar zeker in verval geraakt en geleidelijk vervangen door een tweenamensysteem, bestaande uit een voornaam plus een toenaam.

Gewone mensen hier konden voor 1650 niet lezen of schrijven. Zij spraken die (toe-)familienaam uit in het dialect. De pastoor schreef die namen op. De geestelijke verlatijnsde vervolgens de namen. Fouten in de schrijfwijze maakten niets uit: de mensen zelf konden dat toch niet controleren… En zo kon Frencken ook Frenken of Fran(c)ken zijn, en zelfs Fran(c)que.

Ook bij gerechtszaken of in aktes schreef men die namen op zoals men dacht dat goed was. Een groot probleem was om klanken te schrijven waar in het Latijn of het Nederlands geen teken voor was. Wat te doen met -ao-, -ae-, -äö-, -ö-, -è-, -ó-, sj-, -gk- als je helemaal geen voorbeeld bij de hand hebt? Dan doe je dat maar op goed geluk… Veel van onze familienamen hebben nu een spelling ‘op goed geluk’. De namen in het westen en noorden van Nederland zijn veel jonger: uit het begin van de negentiende eeuw. Dat is meestal goed te zien aan de spelling. De Limburgse familienamen zijn veel ingewikkelder gespeld.

De stamboom van de familie Frencken die ik samen met mijn oom Hub uitzocht, gaat terug naar 2 april 1613, met de doop van Franciscus Frencken. Het zou zomaar kunnen dat de naam Franciscus de latere achternaam Frencken zou voortbrengen, maar zelf twijfel ik daar aan, omdat in de doopakte van Franciscus al Frencken als achternaam wordt geschreven. Het zou zomaar kunnen dat een van de voorvaderen van deze Franciscus dezelfde voornaam had die vervolgens als het patroniem ‘Frencken’ voor de achternaam zou zorgen. Dat is één optie.

Een andere optie is de komst van de ‘Frenckens’ via de Maas vanuit Frankrijk, waar de achternaam ‘France’ dan ver’hollandst’, zou zijn naar Frencken. In de stamboom zie je de naam France namelijk ook terug. Dionisius Frencken, geboren rond 1640 wordt in de huwelijksakte met Anna Cosijnkers als ‘France’ aangeduid. Het proces dat ‘France’ uiteindelijk ‘Frencken’ is geworden, zou hierbij een aan voorzichtigheid grenzende, waarheid kunnen bevatten. Al heeft het transformatieproces waarschijnlijk enkele honderden jaren geduurd. Feit is namelijk dat de achternaam ‘France’ in Noord-Frankrijk veelvuldig voorkomt, waar er zelfs stambomen zijn die teruggaan tot 900 na Christus. Een aansluiting vanuit onze stamboom is (vooralsnog) niet te vinden, het zal bij speculeren blijven, of toch niet?

Rond 1500 was er een grote migratie vanuit Frankrijk naar het noorden (oorlogen, ziektes) en zo werden heel wat familienamen langzaam maar zeker ‘verhollandst’. Voordat de Fransen in Limburg kwamen, zullen ze door België gekomen zijn. Het vermoeden is dat men stroomopwaarts de Maas gevolgd is. In België kwam in 1585 een grote migratiestroom naar Nederland op gang, ten tijden dat de Spanjaarden de baas waren (Filips II). Vermoedelijk is men verder stroomopwaarts de Maas gegaan. Dit wordt gestaafd doordat er in Belgisch-Limburg van Lanaken tot Kinrooi nog personen wonen met de achternaam ‘Fren(c)ken’.

Het verhaal zou aannemelijk kunnen zijn, toch blijft het slechts een aanname, weliswaar gestaafd met enkele feiten. Eén van die zaken is het transport. Ruwweg tussen 1485 en 1600 ontstond de beurtvaart, uit de vervoersvraag, de concurrentie tussen schippers en vooral de wens van lokale overheden om het vervoer te reguleren. Het zou deze wijze van transport zijn waarop men zich stroomopwaarts de Maas kon begeven.

De start van onze stamboom, in 1613, is in Roermond, ook langs de Maas. In deze regio concentreerden zich vanaf 1600 drie eeuwen mensen met de achternaam ‘Frencken’, veelal (ver) familie van elkaar die zich naar gelang de tijd vorderde, steeds eenvoudiger konden verspreiden.

De Maas als barrière in de 18de eeuw, of toch niet?

Het was bij het uitzoeken van de stamboom van mijn schoonouders, ook Janssen, dat ik op een opmerkelijke situatie stuitte. Anno 2020 gaan we de Maas over zonder erbij na te denken, maar hoe werd dit in de achttiende eeuw gedaan?

Hoewel mijn schoonvader en diens ouders uit het Belgische Dilsen-Stokkem afkomstig zijn, was dit rond 1700 niet zo. De oudste voorouder van deze stam, Joannes Janssen, werd voor 1700 geboren in het Duitse Wehr. Hier woonden enkele generaties ‘Janssen’ die vervolgens via Sittard in Stokkem terecht kwamen. Uiteraard was de geografische indeling in die tijd iets anders dan heden ten dage. Dat deze verplaatsing heeft plaatsgevonden is op zich niet zo vreemd, want Stokkem stond in de verre omgeving bekend als thuisbasis voor mandenvlechters (de korverij) en vele van de voorouders van mijn vrouw oefenden dan ook dit beroep uit. In Stokkem was zelfs een school om het vak te leren.

Het was Joannes Renerus Janssen (1783-1833) die vanuit Sittard vanuit zijn professie als mandenvlechter in Stokkem Maria Judith van Haen (1767-1843) leerde kennen. Van latere generaties Janssen zien we dat zij in Stokkem bleven wonen en als mandenvlechter actief waren, maar dat zij hun liefdesgeluk ‘euver de päöl’ gingen zoeken, voor het merendeel in het Nederlandse Stein. Op zich niet zo vreemd, daar de plaatsjes aan elkaar grenzen, maar wel apart omdat er een natuurlijke barrière tussen zat, namelijk de Maas.

Heden ten dage kun je heel eenvoudig de Maas over bij Maasmechelen en Maaseik en is er zelfs in Stokkem een veerpontje, maar dat was in de achttiende en negentiende eeuw toch ietsje anders.

We kennen nu de Scharberbrug die over de Maas in Maasmechelen gaat, meer bepaald het Nederlandse Stein en het Belgische Kotem met elkaar verbindt. Maar deze brug werd pas in 1973 voor het verkeer open gesteld. Iets verder noordelijk, ligt de Pater Sangersbrug in Maaseik. Deze verbindt deze Belgische plaats met het Nederlandse Roosteren. Hoewel deze brug pas in de jaren negentig van de vorige eeuw deze naam kreeg, vernoemd naar Pater Willem Sangers, die streed voor verbondenheid tussen Belgisch en Nederlands Limburg, was ook diens voorganger, de Maasbrug, in de periode die ik beschrijf, nog niet gerealiseerd.

Het was Gerard Mosterd van de Kunstkring Arnold Sauwen uit Stokkem die me vertelde dat er heel vroeger gebruik werd gemaakt van een soort veerpontje om de Maas over te kunnen steken. “Dat de mensen vroeger vanuit Nederland naar België kwamen met het veerpont bestaat al verschillende eeuwen. Waar het veerpont lag was afhankelijk van de loop van de Maas, die altijd met kleine beetjes opschoof naar oostelijke richting. De Maas verlegde vroeger meermaals haar loop, waardoor er grenscorrecties nodig waren. Zo werd in 1814 het grondgebied van het gehucht Boyen, voorheen van Grevenbicht (NL), bij Stokkem gevoegd. In 1839 legde een brand opnieuw 120 huizen in de as.

Tot 1816 stroomde de Maas vanuit Molenveld (een gehucht, gelegen in de buurt bij het huidige veerpont) via een bocht langs het kasteel van Stokkem en zo verder richting Oud-Dilsen. Die bedding noemen we nu nog altijd de Oude Maas. Op die Oude Maas lag vroeger in Stokkem het veerpont om de oversteek te maken”, zo vertelt hij enthousiast.

In 1816 is de Maas ten gevolge van een ijsgang opgeschoven naar oostelijke richting. “Het gevolg hiervan was dat het veerpont ook een nieuwe plaats moest krijgen, ongeveer de huidige locatie nu. Vanaf daar kon men die nieuwe locatie oversteken naar Berg aan de Maas. Op kaarten tussen 1815 en 1830 staat de weg naar het huidige veer al aangegeven”, zo vervolgt Mosterd.

Er zat ook, als bij zoveel zaken in de streek in die tijd, een religieuze input aan het veerpontje. “De zusters Penitenten, die vanaf 1643 in Stokkem verbleven en er een klooster en school bouwden kregen een deel van de opbrengst van de overzet met het veerpont”, zo weet Gerard Mosters.

“In de periode 1900-1930 lag er ook een veerpont tussen Grevenbicht en Rotem, te zien op een postkaart uitgegeven door Grevenbicht. Via de huidige fietsroute met knooppunten van Stokkem naar Rotem kan men daar in het toeristisch seizoen naartoe fietsen en dan met het fietsveerpont de Maas oversteken”, zo besluit Gerard Mosterd.

De insteek over hoe de diverse Janssen-nazaten van Joannes Janssen (1797-1862) hun huwelijksgeluk aan de overzijde van de Maas opzochten, is dus opgeklaard. Het veerpontje bestond al vele jaren.

U kunt de inhoud van deze pagina niet kopiëren