De bevrijding in de herinnering van een vijfjarige
In 2005 werd mijn oom Peter Janssen (1940-2019) 65 jaar. In dat jaar gaf hij een boek uit over zijn jeugd in Everlo, waar hij in maart 1940 werd geboren als oudste zoon van To en Piet van Lètjes. De titel van het boek is ‘Pieje, een Limburgs dorpsjongetje’. Zijn vroegste jeugdherinneringen beginnen bij de bevrijding in 1944. Deze bijdrage bevat een aantal van deze herinneringen.
“Kom, gauw, opstaan en naar de Knip”, roept Moeke midden in de nacht in paniek. Maria en ik zijn meteen klaarwakker en we weten wat ons te doen staat: deken omslaan en gauw met Moeke, met Lucy op haar arm, over de straat naar de kelder van overbuurman de Knip (Knippenberg). We gaan schuilen voor de vliegtuigen die brommend overkomen. Buurvrouw Bouten Mien met de kinderen is er ook al. De Amerikaanse vliegtuigen, op weg naar Duitsland, worden bestookt door het Duitse afweergeschut. Bang zitten we in de donkere kelder, er brandt alleen maar een kaarsje. Het licht mag niet aan anders zien de vliegtuigen ons. (…) Bijna iedere nacht is het raak. Moeke en Bouten Mien zeggen dat de Pruusse heel hard terugvechten zodat de Amerikanen niet bij Venlo over de Maas kunnen komen.
De Pruusse zeggen dat we onmiddellijk weg moeten omdat het veel te gevaarlijk is. Moeke wil niet en zegt: “De Pruusse zeggen dat alleen maar om al ons vee mee te roven naar Duitsland.” Maar we worden toch ons huis uitgejaagd. Waar moeten we naar toe? Dan komt Nel van Rooyakkers, die bij ons dienstmeid is geweest. Ze zegt dat we voorlopig wel bij Rooyakkers op de Egchelse hei kunnen komen. Het is toch maar voor een paar dagen want de oorlog is bijna voorbij. (…) We houden het een week vol maar dan vindt Moeke het genoeg. Ze hoopt dat ze weer naar huis, naar de boerderij, kan. Ondertussen zullen de Pruusse wel weg zijn uit Everlo. Ze stopt Lucy weer in de kinderwagen en zo gaat ze, samen met Maria en mij, op weg terug naar huis. Op de Hub, halverwege de terugweg, ziet vrouw Delissen ons en komt naar buiten rennen. “Maar To, waar ga je naar toe met die kinderen?” Moeke vertelt dat ze terug wil naar Everlo. “Dat kan niet, To, de Pruusse zijn daar nog en het is veel te gevaarlijk.” Wat nu? “Nou dan kom maar bij ons, die paar kinderen kunnen er nog wel bij”, zegt vrouw Delissen, die zelf een groot gezin heeft. Moeke is blij en dankbaar en zegt dat ze over een paar dagen echt naar huis gaat als die Pruusse maar weg zijn. (…)
Het vechten wordt minder en na een paar weken vindt Moeke dat het lang genoeg geduurd heeft en nemen we dankbaar afscheid van vrouw Delissen en de kinderen. Zo lopen we naar huis. Alle koeien en varkens zijn weg, de Pruusse hebben alles meegenomen. Ze zijn kwaad omdat ze de oorlog verliezen. Daarom hebben ze de kar en zelfs onze twee fietsen, die in de goi kamer (beste kamer) stonden, ook meegenomen en verder alles kapot geslagen. Moeke zit erbij te huilen en ze is heel, heel kwaad op die rot Pruusse. Pa van Lotje, de oude buurman, komt binnen en vertelt dat de Pruusse gevlucht zijn en overal vee hebben meegenomen. Maar Frits, ons oude paard dat in de wei liep, hebben ze niet meegenomen. Die konden de Pruusse niet vangen; ze waren bang voor hem. Hij komt hinnikend aanlopen en Moeke aait hem over zijn kop. Wij zijn trots want ons paard is eigenlijk een soort verzetsheld. We slapen die nacht in de goi kamer en omdat we geen dekens meer hebben dekt Moeke ons toe met oude jassen. Maar we zijn toch een beetje blij want de Pruusse zijn weg.
De volgende dag komen de Tommies dan eindelijk. Grote vrachtwagens en tanks komen Everlo binnenrijden en daarop zitten zwaaiende soldaten. Er zijn zelfs zwarten bij, die hebben we nog nooit gezien. Alle mensen lachen en schreeuwen. We zijn bevrijd! Hoera! Een aantal tanks rijdt bij ons de wei in en een soldaat die de baas is, komt aan Moeke vragen of de soldaten een paar dagen op het pakhuis (de graanzolder) mogen uitrusten en slapen. Moeke vindt het natuurlijk goed, ze is trots dat de soldaten bij ons komen logeren. Als ze goed uitgerust zijn gaan ze naar Duitsland om Hitler helemáál te verslaan en dan komt Vader ook weer gauw thuis. De soldaten zijn heel vriendelijk, ze lachen veel en de radio’s die ze bij zich hebben spelen keiharde muziek. Joep Bouten, mijn buurjongen en ik zijn niet weg te slaan bij de tanks. De soldaten geven ons koekjes en vragen “Tsjokklad, tsjokklad?” Wij weten niet wat het is maar zeggen “yes, yes” want het zal best wel iets lekkers zijn. Ze geven ons ieder een reep chocola en gebaren dat we die kunnen opeten. We steken de reep met zilverpapier en al in de mond. Au, au, wat is dat nou. De soldaten lachen en doen het zilverpapier eraf. O …. wat is die tsjokklad toch lekker. Van een andere soldaat krijg ik een soldatenriem en ook nog een oude helm die ik trots opzet en niet meer af wil doen. Joep wil hem ook hebben maar dat gebeurt niet, zelfs als ik ga slapen hou ik de helm op. Ik ben ook soldaat en ik ga later ook vechten tegen Hitler.
Na een paar dagen zijn de soldaten uitgerust en moeten ze weer verder. Wij vinden dat heel erg jammer want het was echt heel spannend en de tsjokklad was toch zo lekker. Alle mensen zwaaien de soldaten uit als ze vertrekken. Moeke zegt dat het goed is dat ze weer gaan. Ze moeten naar Duitsland om de oorlog te winnen zodat Vader weer terug kan komen. Maar het is wel erg stil nu de soldaten weg zijn en de winter is koud en we hebben alleen maar strozakken en jassen om te slapen. Het duurt zo lang, wanneer komt Vader dan echt terug?
Foto: Sevens


We kijken elkaar verbijsterd aan: “Ze hebben ons te pakken Antoon”, zeg ik, en hij: “We zijn erbij Jacques”. Maar dan, als ik in een impuls, roep ik: “Gauw, er vandoor!!!” En dan in minder dan tien tellen ben ik uit de schuilplaats geklauterd, spring van de stenen naar beneden, ren zonder te kijken om de hoek van de loods heen en verdwijn in het aangrenzende veld. Het door de uitgegraven leem ongelijke terrein biedt mij gelukkig enige beschutting en kruipend weet ik enkele honderden meters ver weg te komen. Als ik even later tegen een talud omhoog moet, spring ik overeind en zet het zigzaggend op een lopen. Ik hoor meteen de Duitsers schreeuwen en diverse kogels worden me achterna gezonden. Ik ken het terrein echter goed en via het huizengroepje ‘Haagveld’ vlucht ik verder richting ‘Hub’.
Siegfried (kortweg Sief) Frencken (1907-1974) schreef al voor de Tweede Wereldoorlog in het Hèljes plat. Dat hij het schreef als ‘
Naast het dialect konden de tijdgenoten het goed met elkaar vinden. Zo was Leike van Horen samen met Sief Frencken een van de gangmakers om, ter gelegenheid van het 50-jarige jubileum, een nieuw dak te verkrijgen bij de Paters Lazaristen in 1953 en waren Sjeng Peeters en Sief Frencken collega’s op de Jongensschool in Helden-Dorp.
Van Reen herinnert zich meer: Wat verderop onder zijn perenboom staat een oude vrouw, die misschien zijn vrouw is, maar zeker is dat niet, het kan ook zijn huishoudster zijn. Ze staan nooit bij elkaar maar wel knikken ze allebei naar de dames Frencken die in welstand leven, dankzij hun winkel in stoffen, korsetten, fournituren, knopen en band. De dames knikken beleefd terug. Mensen in goeden doen zijn altijd beleefd voor elkaar.
Ze zien er goed uit, de dames Frencken, met hun hoedjes met pluimen. Geen mannen in huis. Schrijver Ton Van Reen twijfelt of de twee dames zussen waren, maar dat is een vaststaand feit. Naast het feit dat ze bloedverwant zijn, kunnen de dames het goed met elkaar vinden. Dat moet ook wel als ze dagelijks met elkaar optrekken.
De dames zitten er goed bij, met hun winkel. Juffrouw Frieda doet de korsetten en bustehouders, alles voor dames en boerinnen, vrouwen zelfs tot ver in de Peel. In dat deel van de winkel, dat met een gordijn kan worden afgesloten, mogen mannen en jongens niet komen. Maar kleine jongens, zoals Ton, die in de oorlog zijn geboren en een groeiachterstand hebben, kunnen van buiten af, onder de gordijnen door, binnen kijken en op zondagmorgen zien ze wel eens de kont van een boerin in een onderbroek met lange pijpjes, met de helpen om de kousen op te houden. Meer niet.
De zon heeft ook alles gezien van wat hier op zondagmiddag zo allemaal te doen is. Het is al half vijf. Hij begint de dag zat te worden, tenslotte is het nog maar pas Mei, en zakt verder weg, achter langs de schoorsteen, die hem zelfs met zijn klimbeugels niet meer vast kan houden.
Op dinsdag 5 september 1978 werd Raf Janssen geïnstalleerd als lid van de gemeenteraad van de gemeente Helden. In eerste instantie kwam hij middels een restzetel in de gemeenteraad voor de PvdA/PPR. Omdat hij een progressievere koers wilde varen zette hij in 1982 HeldenLinks op. Samen met Ann Philipsen kregen ze twee zetels in de gemeenteraad.
Bij het afscheid van toenmalig Burgemeester Jan van ’t Hooft in 1994 werd Janssen nog door de afscheid nemende burgervader aangehaald. “Raf was misschien vaak een oppositionele luis in de collegepels in Helden, maar de mens èn politicus Raf Janssen staat nog steeds bij mij hoog aangeschreven, al waren we het vaak hartgrondig oneens over politieke zaken.”
Na twaalf jaar wethouderschap besloot Janssen een stapje terug te doen en ging weer terug in de raadsbanken. Een campagne volgde waarin Janssen samen met Frits Berben liet zien dat ook humor het goed doet bij de kiezers. Het resultaat was dat PvdA/GroenLinks Peel en Maas met drie zetels in de raad kwam.
Omdat de moederkerk in Helden moeilijk bereikbaar is voor de huishoudens van Egchel, vanwege de slechte wegen, wilde men een eigen kerk bouwen. Men bracht hiervoor geld bij elkaar en de bevolking van Egchel hielp bij het bouwrijp maken van de grond waarop de kerk gepland was.
Karakteristiek is het verhaal van Engelbert Zelen (1896-1985), in de volksmond ook ‘Dorrusse Ingel’ genoemd. Hij was getrouwd met Willemina (Mien) Janssen (1908-1991), een zus van mijn grootvader.
De Bisschop al hoofdschuddend: “Ik zal voor u bidden mijnheer Zelen.”

Dochter Mieke Kranen nuanceert het verhaal enigszins: “Bij ons in het gezin was het verhaal uiteraard bekend, maar hoe het exact zat, kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat Thuur Luxembourg en Frans Boermans vaker bij mijn vader kwamen en dat mijn vader wel vaker liedjes componeerde voor derden waarbij hij vervolgens zei: ‘geef me er maar een slof sigaretten voor. Volgens mijn broer Frank is tijdens een van de bezoekjes van Luxembourg en Boermans door dit duo aan Kranen gevraagd een liedje, naar later bleek ‘Och waas ik maar…’ te componeren”, zo herinnert Mieke.

Het klokje was tijdens de afbraak al enkele jaren weg. Dit klokje maakte in 1958 een verrassende bootreis naar Brazilië om een tweede leven te beginnen.

Het klokje werd op de zolder van het Missiehuis in Panningen door Broeder Tinus Wenmekers in een houten kist gedaan zodat het op 22 november 1958 veilig verscheept kon worden naar Brazilië. Daar hangt het nog steeds in de Nossa Senhora dos Remédios, de kerk van het Onze Lieve Vrouw van de Geneesmiddelen. Padre Silvio Batista Mitozo gebruikt het nog dagelijks tijdens de eucharistieviering.


De zussen Reinders, Ans en Zus, woonden in een woning aan de Maasstraat in Roggel. Op een mooie dag betrad een van de dames de winkel van Carmen Nazarski, die op een steenworp afstand lag. “Ik kan het me nog goed herinneren”, vertelt Carmen. Mevrouw Reinders vroeg naar een cassette van
De dames Reinders woonden op een steenworp afstand van de muziekwinkel van Carmen, dus enkele dagen later ging Carmen naar de dames toe. Haar komst werd gewaardeerd. “Ik werd door beide zussen warm ontvangen. Ze stonden voor een groot raadsel, ze begrepen er he-le-maal niets van, want hoe zat dat nu met hun in het Duits zingende achterneef.”
Met een deskundige blik keek Carmen Nazarski nog eens goed naar het apparaat, en bij een heldere ingeving zag ze het euvel: ‘het apparaat stond niet op de cassettespeler afgesteld maar op de radio en laat die radio nu net op WDR4 staan afgesteld die in die tijd de hele dag Duitstalige muziek uitzonden!’