Frencken’s Maxwell en ‘De Pupil’

De crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw was voor veel mensen in economische zin een barre tijd. Niet iedereen heeft toen het hoofd in de schoot gelegd. In Panningen is daarvan een sprekend voorbeeld te vinden: de familie van Mathieu Frencken.

Mathieu Frencken 30.09.1880

Mathieu Frencken heeft in de jaren dertig de kruidenierswinkel ‘Volksbelang’ in Panningen, gelegen op de hoek van de huidige Kennedylaan en de Schoolstraat, waar lange tijd de firma Kömhoff zat.

Hij heeft vijf kinderen: een dochter en vier zonen. Omdat hij vindt dat een betrekking bij de overheid de beste vooruitzichten biedt op een vaste baan, laat hij de vier zonen een onderwijzersopleiding volgen. Drie van hen krijgen een baan in de toenmalige gemeente Helden: Jacques in Beringe, Harrie en Dré in Koningslust. Tijdens zijn studie in Maastricht raakt Harrie geïnteresseerd in radio’s en in zijn vrije uren repareert hij radio’s bij Tummers (Lektries Frenske). In 1935 bouwt hij zelf zijn eerste radiootje.

De radio in de jaren twintig en dertig
Vanaf het midden van de jaren twintig zijn er in Nederland al aanbieders van zelfbouwradio’s. Het zijn bouwpakketten met een instructie. Harrie vindt dat te weinig. Hij ontwikkelt een cursus met achtergrondkennis voor radiotechniek. In die jaren groeit de belangstelling voor de radio-uitzendingen. In 1935 zijn al een aantal radio-omroepen actief: NCRV, KRO, VARA, VPRO en AVRO. Harrie krijgt de indruk dat de radio wel eens gemeengoed zou kunnen worden.

Dan komt in 1940 de oorlog en verandert er veel in radioland. De omroepen worden verboden en het bezit van een radio is verdacht. In Engeland krijgt Radio Oranje elke dag 15 minuten zendtijd. Harrie stopt met zijn radio-activiteiten en verzorgt keurig zijn lessen aan de basisschool in Koningslust.

Na de oorlog volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. In 1945 en 1946 verzorgt Herrijzend Nederland de uitzendingen en daarna Stichting Radio Nederland. In 1947 hervatten de omroepen hun werkzaamheden. Het aantal radio’s in Nederland groeit van 300.000 in 1945 tot ruim 1 miljoen in 1949. De radio wordt een echt familiemedium.

Uit de startblokken
Tegen deze achtergrond hervat Harrie zijn activiteiten uit de crisisjaren. Van de paters (de Heren Lazaristen uit Panningen) huurt hij een stencilmachine om de cursus radiotechniek te vermenigvuldigen. Dat is hard nodig, want tot zijn grote genoegen groeit de vraag naar cursussen en bouwpakketten enorm. Al gauw is er behoefte aan een ponsmachine om gaten in de bouwplaat te maken, een zetmachine om platen te buigen en de nodige typmachines. Een aantal bouwpakketten komt terug en moet gerepareerd worden, waarop Harrie een deskundige technische dienst opzet.

Niet lang na de beëindiging van de oorlog in Helden in november 1944 ontdekt Harrie dat hij meer in zijn bedrijf kan verdienen dan met lesgeven in Koningslust. Hij neemt ontslag om zich geheel te kunnen wijden aan het schriftelijk onderwijs en de verkoop van bouwpakketten. Het bedrijf is in de beginfase in handen van een collectief, dat samenwerkt in de vorm van een NV. Naast Harrie en diens broer Jacques, maken Jan Peters, Sjaak Wilms en Frans Saes er deel van uit.

Het bedrijf moet natuurlijk ook een naam hebben. Men kiest voor Maxwell, naar James C. Maxwell, de natuurkundige die in 1873 het bestaan van de elektromagnetische golven voorspelde. De naam Herz is ook gepasseerd, maar er bestond al een Duitse firma met de naam Herz. Ook de radio die uit zijn bouwpakket samengesteld kon worden, moet een naam krijgen. Het wordt ‘pupil’. Het is een eenvoudige ontvanger met als belangrijkste onderdelen één radiobuis van Philips, een afstemcondensator, een batterij, een antenne, een hoofdtelefoon en een kast die door een timmerman in Panningen (Trines Sjaak) wordt gemaakt.

Eerste logo Maxwell

Het eigenlijke idee voor een één-lampertje was van de oprichter van Maxwell, zijn jongere broer, Jacques Frencken. Deze beide heren stonden aan de wieg van de Pupil en kunnen als de geestelijk vaders beschouwd worden . Volgens deze broer geldt ook hier het gezegde: “Het succes heeft soms vele vaders!”
Het eerste model was, (evenals de latere, iets grotere) gebouwd in een houten kastje. De buis, meestal de DL92 (3S4) of de DL91 (1S4), was toen nog boven op het kastje geplaatst terwijl de batterij als extern apparaat buiten de kast gehouden was. Eigenlijk het idee van de vroegere ontvangers, buizen er bovenop en een plaatspanningsapparaat apart.

Het vervolg van de radio-toestellen
De opvolger van de Pupil was de Padvinder, een zogenaamde kampeer-radio. Tegenwoordig zouden we dat een portable noemen. Deze ontvanger beschikte over twee buizen, een roosterdetector en een laagfrequent eindtrap, deze combinatie was ook in staat de conus van een luidspreker in beweging te krijgen. Ik vermoed dat er wel een stuk draad als antenne dienst moest doen en aarding was eigenlijk ook wel hard nodig.
Hierna kwamen de meer geavanceerde ontwerpen, zoals de “Junior”, twee buizen met wisselstroomvoeding. Het voordeel van deze toestellen was de uitbreidbaarheid naar een volgend model. Ook de keus aan prachtige gepolitoerde kasten was ruim.
Om het aanbod compleet te maken waren er nog bouwpakketten voor versterkers, de David en de Goliath, een bandrecorder en universeelmeters.
Omdat de Pupil en de Padvinder gebruik maakten van roosterdetectie, en dit een patent was van Philips, moest er per ontvanger een bedrag overgemaakt worden aan de gloeilampenfabriek. Philips kreeg toen in de gaten dat het maken van bouwpakketten wel een lucratieve bezigheid was en stortte zich met veel reclame op dit gebied. Het resultaat was de EE-serie en de Pionier.

Jacques Frencken
Na de oorlog is er ook veel belangstelling voor schriftelijke cursussen. Er opent zich een markt. Harrie besluit daarop ook andere cursussen landelijk te gaan aanbieden.

Jacques, onderwijzer in Beringe, helpt zijn broer daarbij zoveel hij kan. Bijna iedere dag fietst hij van Beringe naar Panningen om de activiteiten van zijn broer te ondersteunen. Het is weliswaar verboden voor een onderwijzer een betrekking te hebben bij een bedrijf, maar omdat Maxwell een onderwijsinstituut is, geldt voor hem dat verbod niet.

Hij helpt niet met radiotechnische zaken maar met het promoten van de cursus en het ontwikkelen van een verbreed cursusaanbod.

Men adverteert erg gericht: in omroepbladen en vakbladen voor radioamateurs. Ook schrijft men heel veel smeden en fietsenmakers aan. De broers denken dat zich in die groep mensen veel potentieel geïnteresseerden bevinden. Jacques heeft ook de offsetmachine in 1950 gekocht en een cursus gevolgd in het bedienen van het toestel. Daarna heeft hij op zijn beurt de mensen van Maxwell geleerd hoe men met de machine om moest gaan.

Utrecht
Het bedrijf groeit maar door. Zo lezen we in een folder uit 1959 de volgende cursuscategorieën: talen, handel en bedrijven, Mulo en ontwikkeling, hobby en tekenen, radio en tv en tenslotte eenvoudige technieken. Ook de handelsgroep is dan flink uitgebreid: natuurlijk nog de bouwpakketten, maar ook onder andere radio’s, tv’s en witgoed.

Harrie vraagt zich ondertussen af of Panningen wel de juiste vestigingsplaats. Begin jaren vijftig opent hij een vesting aan de Westerstraat in het centraal gelegen Utrecht. De gemeente Utrecht heeft echter andere plannen met de Westerstraat en besluit tot de bouw van Hoog Catharijne (geopend in 1973) aan die straat. Harrie zoekt daarom in het begin van de jaren zestig een nieuwe locatie en vindt die aan de Maliesingel.

Een definitief onderkomen
Harrie was zijn bedrijf gestart in een kamer van zijn vaders’ winkel, het Volksbelang. Al gauw is die te klein en zoekt hij nieuwe locaties. Hij vindt een kamer aan de andere kant van de weg op de hoek waarin ook de Coöperatie is ondergebracht en een in de Villa van Saes, twee huizen verderop, richting Beringe.

In 1948 verlaat de Mulo het oude distributiekantoor op de westelijke hoek van Schoolstraat en Koninginnelaan. Het gebouw wordt enige jaren later aangekocht en nadien uitgebreid met een grote winkel. Eind jaren tachtig bouwt men de NHA (Nationale Handels Academie) aan het Industrieterrein in Panningen. En nog weer later het Maxwellgebouw bij de rotonde aan de Beekstraat/Maasbreeseweg.

Doorgroei in Panningen
In de jaren zeventig gaat zijn aandacht vooral uit naar de groei van het aantal Maxwellwinkels. Vooral het bedrijfsonderdeel schriftelijke cursussen lijdt daaronder. Hij ziet daarom ook af van zijn plannen om zijn bedrijf in Utrecht verder uit te bouwen en in de buurt van deze plaats te gaan wonen.

In 1987 staat de volgende generatie te popelen om de schouders onder het bedrijf te zetten. Zij richten in Panningen de NHA (Nationale Handels Academie) op en bouwen beide onderdelen uit tot een succes. In de hoogtijdagen van Maxwell had het bedrijf 22 eigen winkels en 150 personeelsleden. Bij NHA werken ongeveer 300 freelance docenten en zo’n 100 personeelsleden.

In 2016 worden enkele winkels van Maxwell overgenomen door EP, Electronic Partner. Daarnaast gaan sommige filialen verder door lokale ondernemers. De nazaten van Harrie Frencken richten zich op de NHA.

Harrie overlijdt op 24 maart 2006 op 90-jarige leeftijd en Jacques, die tot zijn pensionering als hoofd der school in Beringe werkt, overlijdt eveneens op 90-jarige leeftijd, op 8 januari 2013.

Met dank aan Ton Leenders en Jan Poortman.

Frencken’s ‘Stiefselfabriek’ in Weert

Het zoeken naar voorouders bracht me naar midden 1500. Tot nu toe was ik met het zoeken naar de Frencken-voorouders gestrand in het Roermond van 1613, waar Franciscus Frencken gedoopt werd. Via contacten in Heinsberg kwam ik echter achter nog enkele voorouders, met als stamvader Hans Francken (1560). Via die lijn kwam ik een hele nieuwe tak van de familie op het spoor, uitkomend in Weert bij de familie Frencken van wiens bestaan ik afwist maar die ik nog niet kon koppelen aan onze stamboom, tot vandaag.

Via de stamboom kwam ik een aardige anekdote op het spoor, over de Weerter ‘Stienselfabriek’. Deze benaming dateert uit de tijd van de oorspronkelijke dextrinefabrikage. Daarna werd door de verdeling van dextrine tot plakmeel de productie van kleefmiddelen, lijmen en kitten ter hand genomen. De samenstelling en productie werden geheel in eigen laboratorium verwezenlijkt.

De stijfselfabriek van de gebroeders Henricus Hubertus Frencken (1856) en Martinus Jozephus Frencken (1857) werd in 1901 gevestigd bij de kruising van de IJzeren Rijn en de Zuid-Willemsvaart. In 1906 brandden de fabriek en het woonhuis af als gevolg van zelfontbranding in het opgeslagen meel. De opstallen werden op dezelfde plaats herbouwd. De gebroeders hadden al een stijfselfabriek in Dalheim (D). Zoon Ernest Frencken (1893) trouwde met Wies Caris (1891) en nam de fabriek over. Diens zoon Harrie Frencken (1918) was de laatste directeur uit de familie.

Overigens: Het bedrijf bestaat nog steeds!

Met dank aan Art-is Communicatie.

Bieschops Hannes en een leuke familie-anekdote

De familie Hesen is al eeuwen honkvast in Helden; het is een familie van akkerbouwers Een overduidelijke uitzondering op die regel was Johannes Hesen, Bieschops Hannes, genoemd. Mijn overgrootvader was getrouwd met een dochter van de broer van deze Johannes. Uit verhalen van mijn oud-tante is er een leuke anekdote naar boven gekomen.

Hannes werd geboren als Johannes Hesen op 26 december 1826 te Helden-Beringe. Hij is een zoon van Andreas Hesen en Johanna Scheers. Zijn vader was geboren in Beringe en zijn moeder op de Keup. Zijn geschiedenis werd heel bijzonder.

De jonge Johannes werd op 29 januari 1845 voor de Nationale Militie goedgekeurd; hij diende vervolgens bij de Escadron Jagers te paard. Bij zijn keuring werd hij beschreven als: voorhoofd bedekt, aangezicht ovaal, ogen bruin, neus klein, mond matig, kin rond, haar bruin. Waar hij zijn diensttijd heeft doorbracht is niet bekend. In het bevolkingsregister staat bij Johannes Hesen dat hij op 1 mei 1853 vertrok naar Born, gelegen in Pruisen. Waarschijnlijk Born bij Bruggen. Hoelang hij hier vertoefd heeft hebben we niet kunnen achterhalen. Het is vrijwel zeker dat hij op die leeftijd zijn bouwkundige studie reeds had voltooid en de wijde wereld had verkend.

In het dienstbode register van de gemeente Helden staat Johannes Hesen wonende in ‘huizing 289’ ingeschreven als dienstknecht. De Burgerlijke Stand van de Gemeente Roermond geeft ons opheldering betreffende het jaar van vertrek. Hij werd ingeschreven op 1 april 1864 in de Oliestraat no.518 bij Bisschop Paredis te Roermond. Het feit dat Hannes bij de Bisschop werkte was zeker in die tijd een reden om trots te zijn. Door zijn werken en wonen bij Mgr. Paredis kreeg hij zijn bijnaam: ‘Bieschops Hannes’. Een bezoek aan het Bisschoppelijk archief te Roermond bracht jammer genoeg geen verdere gegevens aan het licht. Volgens de overlevering zou hij koetsier zijn geweest.

Zouaven van H.Lambertus
Tussen 1865 en 1870 was het ook de tijd dat de Zouaven hun leven waagden voor Paus Pius IX. Hannes was blijkbaar wel begaan met het lot van de zouaven. Hij maakte voor de Heldense zouaven geld over in 1867. In een artikel van de Maas en Roerbode van 21 december 1867 staat het volgende: ‘Een koetsier uit Roermond. P.J.H. Uit dankbaarheid. Voor de vier Zoeaven van Helden Lambertus’.
Zijn ‘liefdegift voor den Paus en zijne dappere armee’ Zoals boven de lijst vermeld werd bedroeg zijn bijdrage 7 franc. Deze verbondenheid met de zouaven is niet geheel vreemd. Bij het personeel van Bisschop Paredis werkte behalve Hannes Hesen nog iemand uit Helden: Anna Maria Liboth geboren op 20 maart 1844 te Helden-Dorp. Zij was een zuster van een van de vier zoeaven die in 1866 naar Rome vertrok en Helden nooit terug zag. Ook hier blijkt uit de advertentie dat hij koetsier was bij de Bisschop.

Korte tijd vertoefde Hannes ook nog op de Steenweg 560 te Roermond. Hier stond hij ingeschreven als dienstknecht bij de familie Christoffel Petit Oudenbergh, rentenier. Lang heeft hij hier niet gewoond. Tussen 1870 en 1880 stond hij weer ingeschreven op de Oliestraat D.280, het Bisschoppelijk paleis. In het bevolkingsregister stond hij zelfs direct vermeld onder Bisschop Paredis.

Café Hesen
Net voor 1875 ging hij op adres Markt B.59a wonen (later Oliestraat 146) bij de Israeliet Salomon Silverberg en zijn vrouw Henriette Hertzberger. In de periode 1870 -1880 treffen we Hannes aan op adres Kapellerweg J. no.171 te Roermond. In dit pand had Hannes naar alle waarschijnlijkheid een café ingericht.

Kapel in Beringe
In de tijd dat hij in Roermond woonde moet Hannes nog regelmatig Helden hebben aangedaan. Dit blijkt wel uit de verschillende bouwwerken waar hij bouwmeester of decorateur was. Niet ver van zijn ouderlijk huis bouwde hij op een plek waar een houten kruis met stenen corpus stond een kleine kapel gewijd aan O.L. Vrouw van het H.Hart. Het geld voor de bouw werd bijgedragen door de bewoners van het gehucht en Bieschops Hannes zelf. Deze kapel bleek al snel te klein te zijn. In principe zou je kunnen stellen dat hier de eerste steen werd gelegd waarop later de parochie Beringe groeide. Naar de grote kerk in Panningen was immers een heel eind lopen. Hannes Hesen bouwde daarom al in 1875 een grote kapel tegen de kleine aan. Volgens aantekeningen van de ‘Schreur’ Piet Janssen uit Beringe zouden de metselaars die de kapel metselde uit Neer afkomstig zijn geweest. Zij hadden hun kost en inwoning bij de broer van Bieschops Hannes, Silvester (Boosch Sil). Het is zeer waarschijnlijk dat Piet ‘van De Schreur’ deze informatie uit de overlevering van de familie Hesen heeft vernomen.

Hannes Hesen liet de Kapel die ter ere van O.L. Vrouw van het H.Hart gebouwd was door ‘zijn’ Bisschop Paredis inzegenen in aanwezigheid van H.H.Hoefnagels en de Weleerw. Heren van Roy en Janssens, respectievelijk pastoor te Panningen en Helden. Helaas zijn hier geen publicaties van terug te vinden in de dagbladen uit die tijd.

Aan het kapelletje werden miraculeuze genezingen toegeschreven en met bewijzen gestaafd door het tentoonstellen van windsels, breukbanden en krukken in vitrines in de kapel. De kapel is er niet meer. Helaas hebben diverse speurtochten geen foto mogen opleveren van de oude kapel. Sjang Stals student Lazarist vervaardigde in 1917 een pentekening van de kapel. Piet van de Schreur wist zich nog de steen te herinneren die in de kapel ingemetseld zat. ‘De eerste steen werd gelegd in 1875 door J.Hesen.’ Helaas is ook de eerste steen als tastbaar bewijs van wat eens was verdwenen.

Bij onderzoek op het kadaster blijkt de kapel op grond te liggen die eigendom was van het kerkbestuur van de ‘Roomsch Katholieke Kerk van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten te Helden Panningen’. Echter op 5 mei 1930 werd in het kadasterregister te Roermond het volgende geschreven: ‘Het bestuur der genoemde kerk de dato 29 september 1929 goedgekeurd door Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid den Bisschop van Roermond bij besluit van 1oktober 1929. Verklaren in hunne gemelde hoedanigheid te hebben verkocht en bij deze over te dragen aan de Roomsch Katholieke Kerk van den Heiligen Joseph te Helden-Beringen, voor dewelke dezen koop wordt aangenomen door den Weleerwaarden Heer Joseph Frederik Stephaan Esser, pastoor te Helden-Beringe, als voorzitter en den heer Piet Holten , koopman aldaar als secretaris van het Kerkbestuur van den Heiligen. Het grondstuk had nummer Gemeente Helden: Beringen sectie A 3399, tuin, 0,5 aren en 80 centiaren. Aldaar sectie A 3400, kapel, thans afgebroken, groot 1 are 40 centiaren.’

De koopprijs bedroeg vijftig gulden. Aldus getekend op 15 april 1930 voor Panningen pastoor J.H.Huyben en H.Tummers. Voor Beringe, pastoor Esser en P.Holten.

Missiehuis
Zijn derde en grootste karwei werd de bouw van het zusterklooster te Panningen, thans het Missiehuis der paters Lazaristen.Met de bouw werd begonnen in het jaar 1878. In het archief van pastoor Caspar Lemmens (pastoor te Panningen van 1875-1889) staat vermeld: ‘Eerw.Heer Kapelaan Peters en P.J.Heesen, welke laatste tijdens den bouw vrije kost en inwoning genoten heeft bij wed. L.Joosten’. (Engelina Joosten-Geurts) In hotel de Gouden Leeuw waar hij nog gewerkt had als meesterknecht bracht hij ook decoratie schilderwerk aan. Ook in Koningslust bracht hij schilderwerk aan in de kerk.

Hotel Hesen
In de tijd dat Hannes meesterknecht was in hotel de Gouden Leeuw te Panningen moet hij ook zijn eerste ervaringen hebben opgedaan in het hotelwezen. Zoals eerder al vermeld dreef Hannes een café aan de Kapellerlaan te Roermond. In 1884 kocht Hannes van goudsmid Reinard Voss in 1884 te Roermond een drietal percelen bouwland met de naam ‘Het Lieve Vrouwe veld’. Blijkens de inschrijving in het kadastraal archief was Hannes toen ‘Koffiehuis-houder te Roermond’. Op een van de drie percelen sectie B.621 werd door Hesen in 1885 ‘hotel Hesen’ gebouwd. Het nieuwe hotel was gesitueerd aan de Kapellerlaan en stond tegenover zijn koffiehuis. Er zijn geen bewijzen voor maar aangezien hij bouwmeester was van diverse panden in Helden zou hij ook wel eens bouwmeester kunnen zijn van ‘Hotel Hesen’. In een advertentie uit de Maas en Roerbode van 12 april 1884 geeft Jean Heezen te kennen dat hij verhuist van de Kappellerlaan tegen over zijn café. Een week later stond op 12 april 1884 de volgende advertentie in bovengenoemde krant ‘Heden opening van het Café, vroeger Heesen, hij beveelt zich beleefd in de gunst van het publiek. Tevens verschillende kamers te huur. J.Haerst’.

De Kapel in Beringe
Dus Johannes Hesen verhuisde van z’n café naar het aan de overkant gelegen hotel. Een ansicht kaart geeft weer dat het om een statig hotel ging. Het hotel stond ingeschreven op nummer 171 Kapellerlaan. (later 171a, voor de hernummering van de Kapellerlaan had het hotel het no. 127). Vooral de bedevaartgangers naar Kapel in ‘t Zand brachten Hannes Hesen goede klandizie. Ook
Heldense inwoners deden vaak zijn hotel aan tijdens hun bedevaart tochten naar Kapel in ‘t Zand. Diverse mensen op leeftijd in Helden konden zich Hotel Hesen nog herinneren

De naam heeft nog lange tijd op de gevel gestaan. Het is mogelijk dat Hannes de Koetsiersfunctie naast die van Koffiehuishouder en later van Hotelhouder uitvoerde. Bieschops Hannes leende op 3 februari 1888 voor Notaris Theunissen te Roermond een bedrag van f 5500,- van Catharina Corsten.

Huwelijk
Misschien heeft hij op een van zijn (verre) reizen als koetsier zijn vrouw ontmoet. Hij huwde op 56-jarige leeftijd de Duitse (Gertrudis) Maria Gertruda Hubertina Rehe. Naspeuringen in de burgerlijke stand van Goch, Roermond en Helden gaven geen uitsluitsel over de huwelijksdatum. Gertrudis is op 25 oktober 1886 vanuit Den Bosch naar Roermond gekomen. In het gemeentearchief van Den Bosch bleek op 25 oktober 1886 de huwelijksdatum genoteerd.

Acht jaar later en één maand voor zijn overlijden liet Johannes Hesen een testament opmaken bij Notaris Eugene Henri Charles Louis Strens te Roermond. In dit testament worden de nog in leven zijnde familieleden van zijn overleden broer Silvester en zijn zuster Wilhelmina bedacht. Hij mocht niet lang genieten van ‘Hotel Hesen’. Op 28 februari 1894 overleed hij kinderloos te Roermond op 68-jarige leeftijd. Aangezien hij het testament een maand voor zijn overlijden had opgemaakt zou het goed mogelijk kunnen zijn dat Hannes wist dat zijn einde nabij was.

Begrafenis
Na zijn overlijden werd hij op het 17e eeuwse kerkhof aan Kapel in ‘t Zand begraven. Een oude kaart van de kerkhof met nummers van graven gaf ons de plek aan waar Hannes in 1894 begraven werd. Ook dat verblijf was niet eeuwig. In het tijdsbestek van zo’n kleine honderd jaar werden op dezelfde plek nog eens drie mensen begraven. Uit overlevering uit eigen familiekring is niet zoveel bekend over Hannes, behalve de volgende anekdote. Pruis Piet (Janssen) senior was drie keer gehuwd en zijn eerste vrouw was Wilhelmina Hesen. Zij was ook een dochter van Silvester Hesen en Martina Beurskens. Zo kwam ook Pruis Piet op de begrafenis en de koffietafel van Bieschops Hannes terecht.
Pruis Piet Senior, mijn overgrootvader, vertelde aan zijn zoon Pruis Piet Junior, mijn grootvader, dat recht tegenover hem een kapitein of een ander hoog geplaatst persoon uit het leger zat. Dat hij deze persoon goed opgenomen had lag aan het feit dat deze man ontzettende slechte tafelmanieren had. Het is jammer dat er vanuit de familie niet meer overgedragen is over Bieschops Hannes.

De erfenis
Uit de successie van memorie bleek dat hij nog grond in Helden in eigendom had. Blijkens de akte van 20 november 1861 kocht Hannes samen met zijn broer Silvester verschillende percelen grond van de gemeente Helden. Voor Notaris Antoon Alphons Lambert Haffmans kochten beide broeders die ingeschreven stonden als akkermannen de volgende percelen uit sectie A 1758. Koop 102, 85 roeden voor f 20,- gulden. Koop 120, een bunder heide voor f 36,- gulden en verder werd voor f 37,- gulden nog eens een bunder heide in de 121e koop gekocht. Zijn hotel vertegenwoordigde op zijn sterfdag f 8500,- gulden waarde. Verder had hij de helft van een dennen Hotel Hesen te roermond bosch ter waarde van f 50,- gulden gelegen te Helden sectie A 1906, 1932 groot 2 hect.84 are en 50 centiare.

Zijn roerende goederen hadden een waarde van f 1350,- gulden. Verder bleek uit de Memorie van Successie dat Hannes op 3 februari 1888 van Catharina Corsten f 5500,- gulden had geleend. Hiervan werd een akte opgemaakt voor notaris Theunissen te Roermond.

Johannes was dan financieel niet rijk te noemen. De baten bedroegen f 4950,- gulden en de lasten en schulden f 3363,47 gulden. Zo bleef een saldo van f 1586,52 gulden over. Toch nog een respectabel bedrag als je bedenkt dat je daar in die tijd een boerderij van kon kopen.

Tweede huwelijk de weduwe Gertrudis Hesen-Rehe
Hotel Hesen werd door Hannes aan zijn vrouw nagelaten. Nog geen jaar na zijn dood, op 8 januari 1895, hertrouwde Gertrudis te Nunhem met Jacobus Hubertus Bongaerts. Hij werkte in hotel Hesen als bediende. Op 28 februari 1928 kwam Gertrudis te overlijden. Bongaerts bleef in eerste instantie alleen in het hotel wonen. Hij kreeg vanuit Brunssum op 6 juni 1928 hulp van een nichtje van zijn vrouw, Maria Anna Hubertina Rehe, geboren 14 augustus 1882 te Nijmegen, zij was pensionhoudster van beroep. Zij dreef samen met Jacobus Bongaerts enige tijd Hotel Hesen. In 1935 werd zelfs blijkens de advertentie het 50-jarig jubileum gevierd. Dit zou ook het laatste zijn wat te vieren viel.

In De Nieuwe Koerier van 12 september 1936 werd n.l. door notaris W.J.A. Damen onderhands aangeboden ‘Het bekende hotel café-restaurant Hesen, Kapellerlaan Roermond groot 16.25 are’. Wie de koper was is niet bekend. Het is goed mogelijk dat de laatste bewoner Dellieu tevens eigenaar van het pand was. Op 1 februari 1937 verhuisde het gezin Bongaerts vanuit hotel Hesen naar de Frans Douvenstraat 2 te Roermond. Na de dood van haar oom is Maria op 7 maart 1946 gaan inwonen in het Klooster St.Salvator aan de Zwartbroekstraat 26 alwaar ze ook gestorven is.

De laatste bewoner van Hotel Hesen
Nadat het hotel enkele maanden leeg had gelegen kwam de laatste bewoner van hotel Hesen ten tonele: steenhouwer Nestor Dellieu. Hij werd daar ingeschreven op 1 juli 1937. Dellieu heeft tot 24 september 1959 in het voormalige hotel gewoond; in dat jaar vertrok hij naar het Louisa pension aan de Pollartstraat 2 te Roermond. Vanaf 24 september 1959 tot aan de afbraak in oktober 1963 heeft hotel Hesen leeg gestaan. Op aandringen van de toenmalige gemeente-archivaris Dhr.van Appeven van Roermond werden enkele der in de gevel voorkomende gipsen medaillons bij het slopen gered. Zij kregen een plaats in de muur van het gemeentelijk museum.

Hiermee werd in Roermond de herinnering aan Hotel Hesen vast gelegd. Voor Helden zal de naam Bieschops Hannes altijd verbonden blijven aan het Missiehuis te Panningen en de parochie Beringe alwaar hij opgroeide en een kapel bouwde.

Bron: De meeste gegevens over Bieschops Hannes komen uit het G.A.R. (Gemeente Archief Roermond), O.A.H.(Oud Archief Helden). het B.A.R. (Bisschoppelijk Archief Roermond) en het Gemeente Archief Den Bosch. Verder heeft het boek van mijn oom, Piet Janssen, enkele verduidelijking gebracht.

Met dank aan: Henk Thiesen (diens publicatie ‘Voorouders en nazaten van Boosch Drees’ is het bronverhaal.)

Parochieherder Princen roept inwoners van Molenbeersel op om fietsen te kopen

Bij het zoeken naar de voorouders van mijn vrouw stuitte ik middels de familie Vandael op een opzienbarend feit: In het Belgische dorp Molenbeersel, waar deze familie vandaan komt, was er veel huwelijksdispensatie. De lokale pastoor, ook (ver) familie van mijn echtgenote, Wilhelmus Franciscus Hubertus Princen (1859-1899) had hier een ludieke oplossing voor.

‘Koop een fiets voor uw mannen en stuur ze eropuit’, zo preekte Pastoor Princen in zijn kerk voor de parochianen. Mathijs Royakkers was één van die parochianen. Hij vertelde het aan diens zoon Nelis die het vervolgens aan zijn schoonzoon Toon Verlaak vertelde. En met die Toon Verlaak kwam ik in contact, waardoor ik het verhaal kon optekenen.

Wie was nu die pastoor Princen? Hij werd in Weert geboren op 12 september 1859. Eén van zijn voorvaderen was Matthias Joannes Princen, ook een voorvader van mijn echtgenote. Princen werd op 29 maart 1884 tot priester gewijd in Roermond en werd achtereenvolgens kapelaan in Luik en Tessenderlo totdat hij uiteindelijk op 19 juni 1894 pastoor in Molenbeersel werd. In de Rondstraat in Molenbeersel, naast ‘Reujer’ en achter ‘Ons Huis’ was de kapelanij waar Pastoor Princen woonde. Dit huis werd afgebroken bij het vertrek van kapelaan Donné in 1979.

De komst van Pastoor Princen werd in een dagblad in Stramproy aangekondigd: ‘In het naburig dorp Molen-Beersel heerscht in de laatste dagen eene bedrijvigheid zonder weerga. Het geldt namelijk om de installatie van den nieuwe herder (nl. pastoor Princen) zoo luisterrijk mogelijk te vieren. Het feest zal a.s. Dinsdag 19 juni plaats hebben; Wij hopen dat het weer gunstig zij.’

In de korte tijd van zijn resterend leven legde Pastoor Princen in Molenbeersel de kiem van de meeste voornoemde verenigingen in die parochie. In Tessenderlo had hij op dat punt een goede leerschool doorlopen bij zijn pastoor Keesen, de latere Monseigneur-senator. Hij was een pragmaticus en zette zich in om het lot van zijn parochianen, meestal landbouwers, te verbeteren. Hij stichtte een boerengilde, twee samenwerkende melkerijen, de Raiffeisenkas, de botermijn van Hasselt, verzekeringen tegen veesterfte en zo meer. Hij stierf op veertigjarige leeftijd op 19 maart 1899. Hij wordt omschreven als hardwerkend en vriendelijk en behulpzaam voor iedereen.

Een verhaal dat iets minder bekendheid heeft is het feit dat deze ‘Don Camilo’ Princen iets wilde doen aan het veelvuldig verlenen van huwelijksdispensatie. Het aanleggen van verharde steenwegen en de opkomst van de fiets speelde zich in de landelijke gebieden af in deze periode, einde 19de begin 20ste eeuw. Er waren blijkbaar enkele gemeenschappen in de buurt met een probleem van inteelt in de eigen gemeenschap met alle gevolgen van dien. . Vooral in de afgelegen gemeenschappen die moeilijk bereikbaar waren speelde gebrekkige mobiliteit een rol. De jaarlijkse kermissen in de dorpen waren de gelegenheden om een passende partner te vinden en als je op een trouwfeest of andere familiegelegenheid aanwezig was, waren daar vooral nichten en achternichten. Ook ondoordacht ‘erfpolitiek’ denken van boeren speelde een rol. Een spottende en harde opmerking hierover bij het trouwen van een meisje met een gevolg van die inteelt en een rijkere boerenzoon in die tijd (citaat van Veus Vangeloven, geboren in 1902 in Molenbeersel ). “Hij trouwde voor de pot maar haalde zich de zot”.

Molenbeersel lag, net als Stramproy, voor die tijd, een stuk van andere plaatsen af. Pastoor Princen kwam echter met een oplossing. In de kerk preekte hij dat vaders voor hun zoons een fiets moesten aanschaffen opdat ze hun huwelijksgeluk verder zouden kunne zoeken en er op die manier minder kans was om met een bloedverwant te trouwen.

Pastoor Princen overleed in Molenbeersel. Op het kerkhof, langs de kerk is zijn graf. Toen hij overleed brachten de bedroefde maar dankbare parochianen geld bij elkaar voor zijn grafsteen. En aan die steen te zien, moet dat, zeker voor die tijd, heel veel geld geweest zijn.

Frans Frencken: Kamerheer van de Paus

Franciscus Bernardus Josephus (Frans) Frencken bleef als geestelijke niet onopgemerkt. Deze priester, in de stamboom terug te vinden als zoon van Carolus Antonius Josephus Frencken, wijnkoper en lid Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, en Maria Henrica Josephina Suijs, is in lijn heel ver familie en werd in 1935 door Paus Pius XI benoemd tot ‘Kamerheer van de Paus’.

Frans Frencken (Oosterhout 9-6-1886 – Wilrijk, gem. Antwerpen 29-4-1946) doorliep de lagere school in Oosterhout, volgde zijn studie aan de seminaries van het bisdom Breda en kreeg in 1910 zijn priesterwijding. Van 1910 tot 1926 werd een docentschap vervuld in Latijn, poësis, letterkundige geschiedenis en Duits aan het klein-seminarie Ypelaar te Breda. Vandaar pakte hij met ongelooflijke energie allerlei nevenactiviteiten aan. Dit zou hij volhouden tot zijn dood. Vooral tussen 1910 en 1920 kwamen zijn literair talent en regiekwaliteiten tot uiting in het schrijven en regisseren van bijbelse spelen, zoals ‘Gekruisigd’ (‘s-Hertogenbosch, [1913]) en ‘Pilatus’ (Oosterhout, [1916]). In 1916 regisseerde hij het laat-middeleeuwse ‘Spel van den Heilighen Sacramente van de Nyeuwervaert’, waarmee hij zijn bekwaamheid in propaganda voeren en massaregie bewees. Hij schreef in die tijd ook veel gedichten. Volgens Van Duinkerken is de Brabantse romancier Antoon Coolen sterk door hem beïnvloed.

Via een priester-oom, pastoor A. Suijs (initiatiefnemer van de H. Landstichting bij Nijmegen), kwam Frencken in aanraking met het bekeringswerk onder protestanten. Hij werkte samen met o.a. Jac. van Ginneken s.j. en Gerard Brom in het Comité tot Bekeering van Nederland.

In die zelfde tijd kwam Frencken onder de indruk van de sociale gevolgen van de industrialisatie in West-Brabant. De fabrieken trokken zowel gehuwde vrouwen als jonge meisjes van veertien jaar en ouder aan. Het gedrag van deze meisjes en de toestand in de fabrieken achtte Frencken een bedreiging voor hun toekomstige taak als echtgenote en moeder. Hij stelde een onderzoek in en besprak de resultaten met werkgevers, hetgeen tot verbeteringen leidde. Later kreeg hij oog voor de moreel en sociaal kwalijke toestanden op het Brabantse platteland, vooral waar het vrouwen en dochters van arbeiders betrof die in de oogsttijd in gemengde groepen op het land werkten.

Kort na de Eerste Wereldoorlog maakte Frencken kennis met de Vlaamse priester Edward Poppe (1890- 1924). Deze bracht de jeugd samen in een Eucharistische Kruistocht (EK), een beweging waarin de veelvuldige H. Communie en de Maria-verering centraal stonden. Poppes methode, gericht op kernvormig, kwam overeen met Frenckens opvatting dat het maatschappelijk leven alleen verbeterd kon worden door middel van een algehele persoonlijkheidsvorming op religieuze grondslag die erop gericht was verschillende standen in de maatschappij bij elkaar te brengen. Daarmee stond hij tegenover priester-tijdgenoten als Henri Poels en Alfonds Ariëns, die het heil allereerst verwachtten van confessionele stands- en vakorganisaties. Frencken, die de ontwikkeling van vakbeweging tot strijdorganisatie afkeurde, koos voor de tactiek van kernvorming op godsdienstige en sociale basis. Vanaf 1923 richtte hij EK-groepen op onder werkgevers, arbeiders en arbeidsters, waar ook priesters zich bij aansloten. Deze Eucharistische Kruistocht groeide uit tot een invloedrijke religieuze beweging, die weldra de grenzen van het bisdom Breda overschreed.

Om een begin te maken met de opvang van fabrieksmeisjes tijdens de schafttijd richtte Frencken sinds 1924, met medewerking van werkgevers, zogeheten EK-huizen op. Hij vond enkele jonge vrouwen bereid de organisatie hiervan ter hand te nemen, ook bij het vormingsclubwerk – vooral in de vrije tijd – ten behoeve van de meisjes. Enkele van deze sociale vrijwilligsters werden zelf fabrieksmeisje of in een bedrijf tewerk gesteld als sociaal verzorgster. De ene activiteit leidde als vanzelf naar de andere; Frencken was onstuitbaar. Zo kwam er een Katholieke Jeugd Vereeniging (KJV), die strenge eisen stelde en jongeren vormde in de geest van de Eucharistische Kruistocht. In 1925 werd het in België uitgegeven weekblad ‘Zonneland’ op initiatief van Frencken redactioneel overgenomen als eerste van een uitgebreide serie tijdschriften, waarvan het gezinsweekblad ‘Verovering’ (1936) de grootste oplage – soms 100.000 exemplaren – zou halen.

In 1926 kreeg Frencken van zijn bisschop, P. Hopmans, toestemming voor de stichting van een religieuze groepering van vrouwen die hun leven zouden wijden aan de dienst van de kerk en beschikbaar zouden zijn voor apostolaatswerk. Materieel werd de start mogelijk doordat de bankier Ch. Laurijssen zijn huis ‘De Olyton’ aan de Boschstraat in Breda schonk voor huisvesting van de stichting. Op 8 december 1928 werd de Vereeniging van Catechisten van de Eucharistische Kruistocht canoniek opgericht. Daarmee brak voor Frencken een tijd aan waarin hij opnieuw vele initiatieven nam en kon verwezenlijken. Dank zij zijn overtuigingskracht ondervond hij materieel en financieel veel steun. Zo kon hij, met medewerking van de toenmalige burgemeester van Ginneken, jhr. Th. Serraris, en de bankier J. Ingen-Housz in 1931 het kasteel Bouvigne huren, dat hij inrichtte als vakantiehuis voor fabrieksmeisjes en centrale voor de KVJ. Tevens werd opgericht en aldaar gevestigd de School voor Sociale Bedrijfsleiding (1931), die in 1949 omgezet en officieel erkend werd als Katholieke School voor Maatschappelijk Werk. Op het terrein van Bouvigne verrezen nieuwe gebouwen voor activiteiten ten behoeve van vrouwen en meisjes, zoals voorlichtingscursussen over huwelijk en seksualiteit, werkkampen voor werkloze onderwijzeressen, opleidingen tot dienstbode, tot sociaal verzorgster en tot gezinsverzorgster en een instelling voor huishoudonderwijs (HOVAM). De opleiding tot gezinsverzorgster zou een hoge vlucht nemen, toen na de bevrijding van West-Nederland in 1945 op initiatief van Frencken en F.L.S.F. baron Van Tuyll van Serooskerken gezinscolonnes vanuit West-Brabant en Zeeland naar het noorden werden uitgezonden. In buurten waar door interne en externe oorzaken veel maatschappelijk zwakke gezinnen woonden begon Frencken in 1937 met zijn Vereeniging het wijkwerk voor gezinsbegeleiding en groepswerk – een nieuwe aanpak was daarbij dat de catechisten zich in de desbetreffende buurt vestigden.

De Vereeniging van Catechisten kreeg door dit alles grote bekendheid en de activiteiten bleven niet tot Breda beperkt: er kwamen vestigingen in de bisdommen Utrecht, Den Bosch, Roermond en ook in Joegoslavië. Na de dood van Frencken volgden nog vestigingen in Rome, Vlaanderen, Nieuw-Guinea (Irian Yaja) en Brazilië (in 1964).
Directeur Frencken, zoals hij werd genoemd, was de onbetwiste leidsman, zo nadrukkelijk zelfs dat de Vereeniging van Catechisten na zijn overlijden te kampen zou krijgen met bestuurlijke problemen en zelfs afsplitsingen. Frencken, een vroom romanticus met Bourgondische inslag, had ook oog voor zakelijke aspecten en wist goed zijn medewerkers te kiezen. Zo vond hij als eerste overste van de Vereeniging in de uit Vlaanderen afkomstige Angeline de Beukelaar (1900-1958) een toegewijde en zakelijke medewerkster.

Frencken had overigens naast dit verenigingswerk in de jaren dertig veel andere taken op zich genomen. Zo werd hij in 1931 voorzitter van de jongens- en meisjes-KJV, bevorderde hij een actie voor behoud van de zedelijkheid in Noord-Brabant, ijverde hij voor geestelijke volksgezondheid en spande hij zich in voor de actie ‘Voor God’ (1936). In 1938 zette hij, gevolggevend aan een oproep van paus Pius XI, de KJV om in een beweging voor Katholieke Actie (KA), die in het gehele land werd georganiseerd en waarin leken aan het hiërarchisch apostolaat van de kerk konden deelnemen. Inmiddels was Frenckens toegewijde ijver ook in Rome niet onopgemerkt gebleven: bij zijn zilveren priesterfeest (1935) werd hij tot geheim ‘Kamerheer van de Paus’ benoemd.

Op deze voor Frencken ongetwijfeld succesrijke verrichtingen zetten uiteraard oorlog en bezetting een zware domper, vooral toen ook vele katholieke organisaties verboden werden. Maar hij slaagde er wel in het jeugdbewegingselement binnen de Katholieke Actie doorgang te laten vinden. Na de bevrijding van het Zuiden in 1944 wierp Frencken zich op als voorvechter van maatschappelijk hulpbetoon en nam hij daartoe o.a. deel aan de Bisschoppelijke Hulpactie en Nederlands Volksherstel, ofschoon zich toen al de eerste symptomen van een slopende ziekte voordeden.

Frencken was een man met overtuigingskracht, die anderen meesleepte. Hij zocht de kracht van zijn organisaties en verenigingen niet zozeer in de massabeweging, al schroomde hij ook in dit opzicht niet van massale demonstraties gebruik te maken, zoals bij de Katholiekendag in 1923, een manifestatie van jonge arbeiders te Breda in 1929, de bedevaart naar Rome van de KJV in 1935 en op het KJV-congres in Den Bosch in 1933. In 1939 wist hij op de terreinen van kasteel Bouvigne niet minder dan 12.000 meisjes voor een grote samenkomst bijeen te brengen. Toch ging zijn aandacht vooral naar kernvorming, dus klein groepsverband, uit. Daarbij was voor hem binnen de organisatiesamenhang het rooms-katholieke geloof de bindende kracht en de onmisbare inspiratiebron. Vooral de verering van Maria (‘liefdesslavernij’) en de beleving van de eucharistie hadden zijn voorkeur. Bevlogen, snel geëmotioneerd, ontpopte hij zich als een der meest bezielde priesters van de eerste eeuwhelft. Meer dan door kracht van argumenten kreeg hij mensen warm door zijn bewogenheid, enthousiasme en welsprekendheid. Misschien had de wat improviserende slordigheid van Frencken in zijn werk – hij kwam bij afspraken altijd te laat -een aparte charme. Achteraf blijken ook bij Frencken vele van zijn ideeën en bedoelingen tijdgebonden te zijn geweest – na 1960 zou er in Nederland nog weinig van zijn organisaties en stichtingen te vinden zijn – maar ze hebben lang doorgewerkt en vaak in andere vormen een weg gevonden naar later tijden.

Paardenakkoord in 1743

Op 17 september 1743 werd in de Heerlijckheid Helden een overeenkomst gesloten tussen diverse inwoners om paarden ‘in de Broecken’ te laten grazen. Een van de ondertekenaars was Joannes (Jean) Janssen (1701-1760), een van mijn voorvaderen.

Er werd een ‘accordt ofte overeenkominge’ gesloten tussen diverse inwoners van de Heerlijckheid Helden. Dit akkoord ging over gemeenschappelijke weidegronden die niemands eigendom waren; ze waren eigendom van de gemeenschap. Hier kon men vee op laten grazen. Later zijn die gemene gronden door de overheid verkocht en toen werd en prikkeldraad om gezet en konden mensen daar niet meer zo maar op met hun vee.

Het document wordt door Jan Stercken (oftewel Joannes Janssen) ondertekend, waarbij een zekere P. Jurgens getuige was.

Accordt ofte overeenkominge van de hier naergespecificeerde inwoonders deser heerlijckheijdt Helden, aengaende hunne peerden, die op dese gemeijnte ofte in de gemeijntebroecken gaen weijen, soo bij daegen als nachten bij aldien eenige der selve peerden door den wolff veron geluckten ofte doodtgebeten wierden, dat in sulcken val het selve peerdt dat doodtgebeten is naer goetduncken van annen des verstaende sal getaxeert worden, ende door hun te samen sal vergoet worden aen den geenen die dat ongeluck overkomen is, den eenen soo wel als den anderen; ende sulx voor den tijdt tot den 17 September 1744 en verder niet, en verders van Jaer tot jaer tot den 17 September, soo langh sij desen accordt staen.

De Broecken is een oud woord. Bedoeld wordt een laaggelegen gebied dat nat blijft door kwel of is een langs een rivier of beek gelegen laag stuk land dat regelmatig overstroomt en ‘s winters vaak langere tijd onder water staat.

Binnen Helden zijn er diverse landschappen geweest waar dit geweest kan zijn. Mijn familie, Stercken/Janssen, woonde op de Zandberg. Het is een veronderstelling dat het stuk ‘Broeck’ dat zij gebruikte langs de Kwistbeek, tussen Helden en Baarlo/Maasbree geweest is.

‘In den Steghe’ verder uitgezocht

Bij het uitzoeken van een stamboom is de kans groot op zaken uit te komen, die niet zo 1-2-3 verklaarbaar zijn.

Er zijn enkele families uit de voormalige gemeente Helden die als ‘alias-naam ‘In gen Steege’ of ‘In ghen Stegh’ hadden. Waar deze naam vandaan komt is, was nog even een speurtocht.

De alias-naam komt voor bij onder meer Elisabeth Gommans en voorouders en Joannes Janssen, waar ze in 1662 mee getrouwd is.

Maar dichterbij in ‘mijn’ stamboom-tak is er ook sprake van ‘Aen gen Stegh’. Marcellus Sillen (1636-1715) overleed op 17 mei 1715 ‘aen gen Stegh’. Marcellus was getrouwd met Johanna Stercken (1643), wiens oom, Joannes Stercken (1600) de stamvader is van mijn stamboom.

Er zijn meerdere verklaringen. Jeu Smeets zegt hierover: “Volgens mij heeft De Steegh mogelijk betrekking op een gebied binnen Beringe dat vroeger ook Bieringe of Beucken / Buycken werd genoemd, in de buurt van het huidige kerkhof. De familie Steeghs ontleent hieraan haar naam en ook de familie van den Beucken.” Smeets haalt de bevestiging van deze informatie uit een gezinsklapper van meester Sjeng Peeters, die in het verleden van vele inwoners van Helden de stamboom heeft uitgezocht. “De achternamen Gommans en Janssen hebben hier dan ook mee te maken”, aldus Jeu Smeets.

Maar als de Steegh een toponiem is dan moet hierover meer bekend zijn binnen de gemeente. Ook de Loosteeg wordt genoemd. “De familie Steeghs woonde het meest in Beringe en incidenteel in de Loosteeg”, aldus Jeu Smeets die ook nog aangeeft dat de Hertsteeg oftewel de Heertsteeg ook een mogelijkheid is, die lag tussen Panningen en Beringe.

De Loosteeg wordt nog even verder onder de loep genomen. In de Tranchotkaart werd de Loosteeg vermeld als ‘In de Stegh’, te weten voor het gebied tussen ‘Op Stox’ en ‘An den Loo’, een boerderij met meerdere gebouwen. In het Meet- en Schatboek van Helden komt een inwoner van de Loosteeg voor als ‘Gies in den steegh’. “Met dit gegeven lijkt voldoende bewijs te zijn waar de achternaam of bijnaam vandaan komt en waar het goed heeft gelegen”, zo besluit Jeu Smeets.

Er is een tekening uit de Franse Tijd, waarop buurtschap ‘de Loo’ gemeld wordt. Op de kaart is te zien dat er een gedeelte ligt dat ‘An de Stegh genoemd wordt, dit zou het verhaal van Jeu Smeets rechtvaardigen…

Toch zijn er ook nog andere deskundigen die menen dat de naam afkomstig is van een boerderij die de betreffende naam had. Die boerderij zou achter het Haagveld en de Hoven hebben gelegen, dit wordt het ‘Steeghsveld’ genoemd.

De waarheid zal ergens in het midden liggen…

Voorouders waren mandenvlechters: Het ambacht herleeft!

Stokkem doet een beroep op mensen met een hart voor het oude korfambacht. De voorouders van mijn vrouw waren mandenvlechters die vanuit Duitsland in het Belgische Stokkem terecht kwamen, in die tijd hoorde dat gebied beurtelings bij het hertogdom Gulik, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, België (in de periode 1830-39) en de Duitse Bond.

Stokkem stond in de verre omgeving bekend vanwege het mandenvlechten. Vele overgrootouders zochten daar hun heil om te werken en om hun kinderen naar de mandenvlechterschool aldaar te sturen. In het begin van de twintigste eeuw waren er in Stokkem 96 korvers-ateliers, waarvan er 34 betaald personeel in dienst hadden. In 1923, bijna 100 jaar geleden werd de ‘Teen-en rietvlechtschool’ opgericht waar velen Stokkemenaren een opleiding genoten tot mandenvlechter en meubelmaker. De huidige Buso-school ‘De Garve’ vindt daar haar oorsprong.

In 1994 werd met de opening van het museum ‘De Wissen’ in Stokkem invulling gegeven aan een aloude droom namelijk een museum rond vlechtwerk. Na al deze jaren is dit museum dringend toe aan vernieuwing. Door de bouw van het nieuwe toeristische bezoekerscentrum langs de fietsdijk ontstaat de mogelijkheid om in het oude gebouw van ‘De Wissen’ de collectie vlechtwerk weer ten volle tot zijn recht te laten komen.

Een boeiend verhaal moet de bezoeker gaan meenemen door de tijd. Vandaag is vlechtwerk terug in de mode. Het duurzame materiaal van wilg en riet biedt tal van mogelijkheden. Creativiteit moet het opnemen tegen de lage loonlanden uit Azië.

Bij een bezoek aan de Duitse ‘Korbstadt’ Lichtenfels werden door een groep enthousiastelingen tal van ideeën opgedaan om niet enkel via een museum te werken maar om ook in het straatbeeld en via tal van acties te maken dat iedereen die Stokkem bezoekt onmiddellijk geconfronteerd wordt met het aspect korverij. Om dit alles in goede banen te leiden zijn Promo Stokkem en de Kunstkring Arnold Sauwen op zoek naar mensen die willen meewerken aan dit proces. Dit kan door deel te nemen aan de pas opgerichte werkgroep vlechtwerk. Vermits vele Stokkemenaren het korversbloed in de aderen hebben hopen de initiatiefnemers op voldoende interesse.

De werkgroep ‘vlechtwerk’ is online te bereiken.

Aanname: Familienaam Stercken te danken aan beroep voorvader

Een achternaam zoals Janssen is eenvoudig te herleiden, want in mijn stamboom is te zien dat de achternaam rond de eeuwwisseling eind 1600 gebruikt wordt. Maar waar komt nu de niet zo voor de hand liggende achternaam ‘Stercken’, zoals mijn voorvaders eerst genoemd werden, vandaan?

Op 14 oktober 1668 werd Joannes Stercken geboren. Zijn vader en grootvader heetten beiden ook Joannes Stercken, dus deze jongste telg binnen de familie werd ‘de zoon van Joannes’ oftewel ‘Janssen’ genoemd. Hier spreekt men over een patroniem. Dit geeft aan hoe de vader van de naamdrager heet en is dus afgeleid van de naam van de vader.

Toen deze Joannes (1668-1736) op 26 september 1697 trouwde met Catharina Drijssen (1660-1739) kreeg het echtpaar twee kinderen, dochter Wilhelmina (1698), die met de achternaam ‘Stercken’ in het doopregister kwam en zoon Joannes (1701) waar de achternaam ‘Janssen’ in het doopregister genoteerd werd.

De familienaam Stercken zoals deze voor 1700 gebruikt werd, moet een bepaalde herkomst hebben. In Buggenum woonde ook een familie die men ‘Stercken’ noemde. Er is (tot nu) nog geen verwantschap hierin ontdekt, maar de reden waarom deze mensen Stercken genoemd werden is dat deze mensen staatsontvanger, oftewel ontvanger van de gemeentebelasting waren. In die tijd noemde men in deze regio de gemeenteontvanger een ‘man van de wet’ ook wel ‘Stercken’, en daar in die tijd vele familienamen te herleiden waren naar een beroep zal dat ook hier het geval geweest zijn.

In 1600 was de functie van staatsontvanger duidelijk omschreven binnen het lokaal bestuur. De staatsontvanger diende begrote inkomsten te innen. Die inkomsten bestonden niet alleen uit belastingen. Ook de pachtgelden van landerijen en de opbrengsten van verpachtingen van diensten en instellingen als bijvoorbeeld een Bank van Lening waren voor een gemeente een bron van inkomst. Verder ontving de gemeente bijvoorbeeld nog gelden door opbrengsten van de verkoop van hakhout, gewassen en dergelijke. Het zal voor Joannes Stercken een heel belangrijk werk geweest zijn waar knap denkwerk aan te pas kwam. Ten tijde van de Republiek had immer elk gewest zijn eigen munt. Dat betekende niet dat elke provincie ook zijn eigen muntstelsel had. Integendeel, de munten in de zeventiende en achttiende eeuw leken alle sterk op elkaar en waren in de gehele republiek te gebruiken. Omdat de waarde van een munt destijds werd bepaald door het gehalte aan zilver of goud, waren er ook nogal wat buitenlandse munten in omloop.
Met behulp van tarievenboekjes was het mogelijk om van Duitse, Franse, Spaanse of andere muntstukken de juiste waarde te berekenen.
Na 1851, maar toen was de naam Stercken al van het toneel verdwenen in Helden, werd de functie aangeduid met ‘gemeenteontvanger’.

Met een sterke aanname kan verondersteld worden dat ‘mijn’ tak ook haar oorspronkelijke familienaam aan dit beroep te danken heeft.

Meijelse roots rond de Sint Wilbertusput

De achternaam ‘Lenders’ van mijn grootmoeder, is terug te herleiden naar Gerardus van Calheze, waarmee de geschiedenis van deze tak binnen mijn stamboom terug te herleiden is naar begin 1300. Puzzelwerk bracht me bij nazaten die ook zaken vanuit het verleden hebben uitgezocht. Met name Pierre van Calis en Roos Aerts-Lenders hebben belangrijk werk hiervoor gedaan. De familietak heeft zich vele jaren geconcentreerd rond de Sint Wilbertusput die exact op de grens tussen Meijel en Neerkant ligt.

Wat nog het mooiste uit dit ‘speurwerk’ is, is het feit dat nu achterhaald is waart de bijnaam ‘Die van Litjens’, waar de familietak van mijn grootmoeder mee aangeduid werd, vandaan komt. Het is geen verbastering van de familienaam ‘Lenders’, maar komt van Arnold Cuijpers.

Het hele verhaal is in een apart hoofdstuk op deze website te lezen.

U kunt de inhoud van deze pagina niet kopiëren